Je EigenRoute
دخولإنشاء حساب

المفردات

57 كلمة · صفحة 1 من 3

  • beginnenA1شاذّ

    begon · begonnen · zijn begonnen

    يبدأ

    De les begint om negen uur.

  • begrijpenA1شاذّ

    begreep · begrepen · hebben begrepen

    يفهم

    Ik begrijp de vraag niet helemaal.

  • bestaanA1شاذّ

    bestond · bestonden · hebben bestaan

    يوجد

    Zo'n regel bestaat hier niet.

  • blijvenA1شاذّ

    bleef · bleven · zijn gebleven

    يبقى

    Blijf je vanavond eten?

  • brengenA1شاذّ

    bracht · brachten · hebben gebracht

    يحضر، يوصل

    Ik breng de kinderen naar school.

  • denkenA1شاذّ

    dacht · dachten · hebben gedacht

    يفكر

    Ik denk dat het goed komt.

  • doenA1شاذّ

    deed · deden · hebben gedaan

    يفعل

    Wat doe je in het weekend?

  • dragenA1شاذّ

    droeg · droegen · hebben gedragen

    يرتدي؛ يحمل

    Hij draagt een zwarte jas.

  • drinkenA1شاذّ

    dronk · dronken · hebben gedronken

    يشرب

    Wat wil je drinken?

  • etenA1شاذّ

    at · aten · hebben gegeten

    يأكل

    Wij eten meestal om zes uur.


    het eten

    طعام

    Nederlands eten is soms heel simpel.

  • gaanA1شاذّ

    ging · gingen · zijn gegaan

    يذهب

    Ik ga morgen naar Amsterdam.

  • genietenA1شاذّ

    genoot · genoten · hebben genoten

    يستمتع

    Ik geniet van het rustige weekend.

  • gevenA1شاذّ

    gaf · gaven · hebben gegeven

    يعطي

    Geef mij het zout, alsjeblieft.

  • hebbenA1شاذّ

    had · hadden · hebben gehad

    يملك

    Wij hebben twee kinderen.


    (فعل مساعد لصيغة الماضي التام)

    Ik heb de brief gisteren al geschreven.

  • helpenA1شاذّ

    hielp · hielpen · hebben geholpen

    يساعد

    Kun je me even helpen?

  • hetenA1شاذّ

    heette · heetten · hebben geheten

    يُدعى

    Hoe heet jij?

  • houdenA1شاذّ

    hield · hielden · hebben gehouden

    يمسك؛ يحب

    Ik houd van koffie.

  • kiezenA1شاذّ

    koos · kozen · hebben gekozen

    يختار

    Je moet zelf kiezen.

  • kijkenA1شاذّ

    keek · keken · hebben gekeken

    ينظر، يشاهد

    We kijken vanavond naar een film.

  • komenA1شاذّ

    kwam · kwamen · zijn gekomen

    يأتي

    Kom je vanavond ook?

  • kopenA1شاذّ

    kocht · kochten · hebben gekocht

    يشتري

    Ik koop brood bij de bakker.

  • krijgenA1شاذّ

    kreeg · kregen · hebben gekregen

    يحصل على

    Ik heb een brief gekregen.

  • kunnenA1شاذّ

    kon · konden · hebben gekund

    يستطيع

    Kun je mij helpen?

  • lachenA1شاذّ

    lachte · lachten · hebben gelachen

    يضحك

    We hebben veel gelachen.

  • latenA1شاذّ

    liet · lieten · hebben gelaten

    يترك؛ يجعل

    Ik laat mijn fiets repareren.