Je EigenRoute
دخولإنشاء حساب

المفردات

283 كلمة · صفحة 9 من 12

  • stelenA2شاذّ

    stal · stalen · hebben gestolen

    يسرق

    Iemand heeft gisteren mijn fiets gestolen.

  • stemmenA2

    stemde · hebben gestemd

    يصوّت

    Bij de verkiezingen mag iedereen stemmen.

  • stofzuigenA2

    stofzuigde · hebben gestofzuigd

    يكنس بالمكنسة

    Ik stofzuig één keer per week.

  • stoppenA1

    stopte · hebben/zijn gestopt

    يتوقف

    Hij is gestopt met roken.

  • sturenA1

    stuurde · hebben gestuurd

    يرسل

    Ik stuur je vanavond een bericht.

  • tekenenA2

    tekende · hebben getekend

    يرسم

    Mijn dochter tekent graag.

  • tellenA1

    telde · hebben geteld

    يعدّ

    Kun je tot tien tellen in het Nederlands?


    يُحتسب، له اعتبار

    Deze oefening telt niet mee voor je eindcijfer.

  • terugbetalenA2قابل للانفصال

    betaalde terug · hebben terugbetaald

    يعيد المبلغ

    Ik betaal je volgende week terug.

  • terugkomenA2قابل للانفصالشاذّ

    kwam terug · kwamen terug · zijn teruggekomen

    يعود

    Hij komt volgende week terug.

  • testenA2

    testte · hebben getest

    يختبر

    De dokter wil je bloed nog een keer testen.

  • thuisblijvenA2قابل للانفصالشاذّ

    bleef thuis · bleven thuis · zijn thuisgebleven

    يبقى في المنزل

    Ik blijf vandaag thuis.

  • tillenA2

    tilde · hebben getild

    يحمل (شيئًا ثقيلًا)

    Deze doos is te zwaar om alleen te tillen.

  • toestaanA2قابل للانفصالشاذّ

    stond toe · stonden toe · hebben toegestaan

    يسمح

    Honden zijn hier niet toegestaan.

  • trakterenA2

    trakteerde · hebben getrakteerd

    يضيّف

    Op je verjaardag trakteer je op gebak.

  • trouwenA1

    trouwde · zijn getrouwd

    يتزوج

    Zij gaan in juni trouwen.

  • twijfelenA2

    twijfelde · hebben getwijfeld

    يشك

    Ik twijfel nog over die opleiding.

  • uitgevenA2قابل للانفصالشاذّ

    gaf uit · gaven uit · hebben uitgegeven

    ينفق

    Ik geef te veel geld uit aan eten.


    ينشر (كتبًا)

    Die uitgeverij geeft vooral kinderboeken uit.

  • uitkomenA2قابل للانفصالشاذّ

    kwam uit · kwamen uit · zijn uitgekomen

    يناسب

    Komt dinsdag jou goed uit?


    يتبيّن، يتّضح

    Later kwam uit dat de cijfers niet klopten.

  • uitstappenA2قابل للانفصال

    stapte uit · zijn uitgestapt

    ينزل (من المركبة)

    Bij welke halte moet ik uitstappen?

  • uitzoekenA2قابل للانفصالشاذّ

    zocht uit · zochten uit · hebben uitgezocht

    يستوضح

    Ik zoek uit wat de regels precies zijn.

  • vallenA1شاذّ

    viel · vielen · zijn gevallen

    يسقط

    Pas op, je valt bijna.


    يصادف (تاريخًا)

    Mijn verjaardag valt dit jaar op een zondag.

  • veranderenA1

    veranderde · hebben/zijn veranderd

    يتغير

    Er is veel veranderd dit jaar.

  • verbazenA2

    verbaasde · hebben verbaasd

    يدهش

    Zijn reactie verbaasde iedereen.

  • verbeterenA2

    verbeterde · hebben/zijn verbeterd

    يحسّن

    Mijn Nederlands is dit jaar verbeterd.

  • verbiedenA2شاذّ

    verbood · verboden · hebben verboden

    يمنع

    Roken is in het gebouw verboden.