المفردات
430 كلمة · صفحة 8 من 18
het kleinkindA1
حفيد أو حفيدة
Zij heeft drie kleinkinderen.
de kleinzoonA1
حفيد
Haar kleinzoon is net geboren.
de klerenA1
ملابس
Ik koop nieuwe kleren.
de kleurA1
لون
Welke kleur vind je mooi?
de klokA1
ساعة حائط
De klok in de keuken loopt voor.
جرس
De klok van de kerk luidt elke zondagochtend.
de knieA1
ركبة
Mijn knie doet pijn bij het lopen.
de koekA1
بسكويت
Bij de koffie krijg je een koekje.
de koelkastA1
ثلاجة
De melk staat in de koelkast.
de koffieA1
قهوة
Zullen we een kopje koffie drinken?
de komkommerA1
خيار
Snijd de komkommer in plakjes.
de koningA1
الملك
De koning opende het parlementaire jaar.
de koolA1
ملفوف
In de winter eten we vaak kool.
فحم
Vroeger stookten ze de kachel op kool.
het kopjeA1
فنجان
Wil je een kopje thee?
de krantA1
جريدة
Mijn vader leest elke dag de krant.
het kussenA1
وسادة
Dit kussen is te hard.
het kwartierA1
ربع ساعة
Het duurt nog een kwartier.
laagA1
منخفض
De prijs is nu laag.
de laag
طبقة
Er ligt een dikke laag sneeuw op straat.
het lakenA1
ملاءة
De lakens moeten in de was.
de lampA1
مصباح
De lamp in de gang is kapot.
het landA1
بلد
Uit welk land kom je?
de laptopA1
حاسوب محمول
Thuis werk ik het liefst op mijn laptop.
de leeftijdA1
عمر
Wat is de leeftijd van je kinderen?
het legerA1
الجيش
Het leger hielp bij de evacuatie.
de lenteA1
ربيع
In de lente bloeien de tulpen.
de lepelA1
ملعقة
Ik eet soep met een lepel.

