المفردات
1756 كلمة · صفحة 70 من 71
de zinA2
جملة
Schrijf een zin met het woord 'huis'.
رغبة
Ik heb geen zin om vandaag te koken.
zingenA2شاذّ
zong · zongen · hebben gezongen
يغني
Op verjaardagen zingen we een lied.
zittenA1شاذّ
zat · zaten · hebben gezeten
يجلس
Zij zit op de bank.
يوجد، موجود (داخل شيء)
De sleutels zitten in de zak van mijn jas.
zoA1
هكذا
Doe het zo.
zo'nA2
مثل هذا؛ حوالي
Ik wil ook zo'n fiets met een mand voorop.
zoalsA2
كما، مثل
Zoals je weet, zijn wij morgen gesloten.
zoekenA1شاذّ
zocht · zochten · hebben gezocht
يبحث
Ik zoek mijn sleutels.
zoetA2
حلو
Deze appel is heel zoet.
عذب (عن الماء)
In de sloot staat zoet water, geen zeewater.
zoietsA2
شيء كهذا
Zoiets heb ik nog nooit meegemaakt.
de zolderA1
علية
De oude spullen liggen op zolder.
zomaarA2
هكذا بلا سبب
Hij kwam zomaar binnen zonder te kloppen.
de zomerA1
صيف
In de zomer gaan we naar het strand.
de zonA2
شمس
De zon schijnt eindelijk.
de zondagA1
الأحد
Zondag zijn veel winkels dicht.
zonderA1
بدون
Koffie zonder suiker, alstublieft.
de zoonA1
ابن
Hun zoon gaat naar school.
de zorgA2
رعاية
De zorg in Nederland is goed geregeld.
قلق
Maak je geen zorgen, het komt wel goed.
zorgenA2
zorgde · hebben gezorgd
يحرص؛ يعتني
Ik zorg dat het op tijd klaar is.
de zorgtoeslagA2
بدل التأمين الصحي
Met een laag inkomen krijg je zorgtoeslag.
de zorgverzekeringA2
التأمين الصحي
Een zorgverzekering is in Nederland verplicht.
het zoutA1
ملح
Er zit te veel zout in.
مالح
De soep is me veel te zout.
zoveelA2
كثيرًا هكذا
Ik heb nog nooit zoveel sneeuw gezien.
het zuidenA2
الجنوب
In het zuiden van Nederland is het vaak warmer.
zullenA1شاذّ
zou · zouden
سوف
Zullen we koffie drinken?
de zusA1
أخت
Ik bel mijn zus elke week.

