المفردات
1768 كلمة · صفحة 70 من 71
de zaakB1
مسألة؛ متجر
Mijn oom heeft een eigen zaak in het centrum.
de zakA1
جيب؛ كيس
Mijn sleutels zitten in mijn zak.
zakkenB1
zakte · zijn gezakt
يرسب
Hij is helaas gezakt voor het examen.
de zakken
أكياس (جمع zak)
Hij zet de zakken met oud papier bij de container.
de zalfA2
مرهم
Smeer deze zalf twee keer per dag op de wond.
de zaterdagA1
السبت
Op zaterdag doe ik boodschappen.
het zebrapadA2
ممر المشاة
Steek over bij het zebrapad.
de zeeA1
بحر
De zee is vandaag onrustig.
de zeepA1
صابون
Was je handen met zeep.
de zelfstandigheidB1
الاستقلالية
De functie vraagt veel zelfstandigheid.
de zelfstudieB1
دراسة ذاتية
Naast de les doe ik veel zelfstudie.
het ziekenhuisA2
مستشفى
Ze ligt sinds gisteren in het ziekenhuis.
het ziekenhuisbezoekB1
زيارة المستشفى
Het ziekenhuisbezoek duurde twee uur.
de ziekenhuisopnameB1
الإدخال إلى المستشفى
Een ziekenhuisopname was niet nodig.
de ziekmeldingB1
إشعار مرضي
Doe je ziekmelding voor negen uur.
de ziekteA1
مرض
Het is een ziekte die vaak voorkomt.
het ziektebeeldB1
الصورة المرضية
Dit ziektebeeld komt vaker voor bij ouderen.
de ziektekostenB1
التكاليف الطبية
De ziektekosten worden grotendeels vergoed.
de ziektekostenvergoedingB1
تعويض التكاليف الطبية
Vraag na of je ziektekostenvergoeding krijgt.
de zijdeA2
حرير
De sjaal is van zijde.
جانب، ناحية
Aan de andere zijde van de straat staat een apotheek.
de zinA2
جملة
Schrijf een zin met het woord 'huis'.
رغبة
Ik heb geen zin om vandaag te koken.
de zolderA1
علية
De oude spullen liggen op zolder.
de zomerA1
صيف
In de zomer gaan we naar het strand.
de zonA2
شمس
De zon schijnt eindelijk.
de zondagA1
الأحد
Zondag zijn veel winkels dicht.
de zoneB1
منطقة (محدّدة)
In deze zone mag je maar dertig kilometer per uur rijden.

