المفردات
1053 كلمة · صفحة 6 من 43
de brilA1
نظارة
Zonder bril zie ik niets.
de broekA1
بنطال
Deze broek is te lang.
de broerA1
أخ
Mijn broer woont in België.
de bronA1
مصدر
Controleer altijd de bron van een bericht.
het broodA1
خبز
Ik eet elke ochtend brood.
de brugA2
جسر
De brug is open voor een boot.
het budgetA2
ميزانية شخصية
Mijn budget voor deze maand is op.
de buikA1
بطن
Mijn buik doet pijn.
de buikpijnA2
ألم في البطن
Het kind heeft buikpijn.
de buitenlampA1
مصباح خارجي
De buitenlamp gaat automatisch aan.
het buitenlandA2
الخارج
Wij gaan deze zomer op vakantie naar het buitenland.
de buitenruimteA2
مساحة خارجية
De woning heeft geen buitenruimte.
het bureauA2
مكتب (طاولة)؛ وكالة
Ik heb een bureau bij het raam in mijn kamer.
de burenA2
جيران
Onze buren zijn erg vriendelijk.
de burgemeesterA2
رئيس البلدية
De burgemeester opende de nieuwe brug.
de burgerA2
مواطن
Elke burger heeft dezelfde rechten.
het burgerservicenummerA2
رقم خدمة المواطن
U hebt uw burgerservicenummer nodig.
de busA2
حافلة
De bus stopt voor het station.
het bushokjeA2
مظلة الحافلة
We schuilden in het bushokje voor de regen.
de buspasA2
بطاقة الحافلة
Met een buspas reis je goedkoper.
de buurmanA1
جار
De buurman helpt ons vaak.
de buurtA1
حي
Onze buurt is de laatste jaren veranderd.
de buurvrouwA1
جارة
De buurvrouw past op de kinderen.
het cadeauA1
هدية
Voor zijn verjaardag kreeg hij een mooi cadeau.
het caféA2
مقهى
We spreken af in het café op de hoek.

