المفردات
1756 كلمة · صفحة 4 من 71
de autoA1
سيارة
Onze auto staat voor de deur.
de avondA1
مساء
's Avonds kijk ik televisie.
het avondetenA2
عشاء
Het avondeten is om zes uur.
de azijnA1
خل
Doe wat azijn in de salade.
de baanA2
وظيفة
Zij heeft een nieuwe baan gevonden.
حارة مرورية؛ مضمار
Op de snelweg is de rechter baan afgesloten.
de baardA2
لحية
Mijn broer heeft sinds de zomer een baard.
de baasA2
رئيس العمل
Mijn baas is vandaag afwezig.
de babyA1
طفل صغير
De baby slaapt nu.
de badkamerA1
حمام
De badkamer is boven.
de badkuipA2
حوض استحمام
In deze badkamer staat geen badkuip.
de bagageA2
أمتعة
Laat je bagage niet alleen achter.
bakkenA2شاذّ
bakte · bakten · hebben gebakken
يقلي، يخبز
Ik bak een ei voor het ontbijt.
de bakkerA2
مخبز
Ik haal brood bij de bakker.
de balA1
كرة
De kinderen spelen met een bal in de tuin.
de balieA2
مكتب الاستقبال
U kunt uw pakket ophalen bij de balie.
het balkonA2
شرفة
Op het balkon staan planten.
de banaanA1
موزة
Wil je een banaan?
de bandA2
إطار
Mijn band is lek.
bangA2
خائف
Ik ben bang voor honden.
de bankA2
بنك
Ik heb een rekening bij deze bank.
أريكة؛ مقعد
We zitten 's avonds samen op de bank te lezen.
de bankrekeningA2
حساب بنكي
Je hebt een bankrekening nodig voor je salaris.
de basisschoolA2
مدرسة ابتدائية
Mijn dochter zit in groep vijf van de basisschool.
het basketbalA2
كرة السلة
Op dinsdag speel ik basketbal met mijn vrienden.
de batterijA1
بطارية
De batterij is leeg.
het bedA1
سرير
Ik ga vroeg naar bed.

