المفردات
1784 كلمة · صفحة 38 من 72
het nagerechtA2
حلوى
Als nagerecht is er ijs.
nakijkenA2قابل للانفصالشاذّ
keek na · keken na · hebben nagekeken
يصحّح
De docent moet vanavond nog veertig toetsen nakijken.
namelijkA2
أي، وذلك لأن
Ik kan niet komen, ik moet namelijk werken.
natA1
مبلل
Mijn jas is helemaal nat.
de naturalisatieA2
التجنس
Na naturalisatie krijg je het Nederlandse paspoort.
de natuurA2
طبيعة
Op zondag wandelen we graag in de natuur.
natuurlijkA1
طبيعي؛ بالطبع
Dit is een natuurlijk product.
het NederlandsA1
اللغة الهولندية
Ik leer al twee jaar Nederlands op een taalschool.
neeA1
لا
Nee, dank je, ik hoef geen koffie meer.
de neefA1
ابن العم، ابن الأخ
Mijn neef is even oud als ik.
negenA1
تسعة
Mijn zoon is negen jaar.
negentigA1
تسعون
Hij werd negentig jaar oud.
de nekA1
رقبة
Ik heb een stijve nek.
nemenA1شاذّ
nam · namen · hebben genomen
يأخذ
Ik neem de trein van acht uur.
nergensA2
لا مكان
Ik kan het nergens vinden.
netA1
للتو
Hij is net weggegaan.
netjesA1
مرتب
Je kamer ziet er netjes uit.
het netwerkA2
شبكة
Het netwerk lag er een halve dag uit.
de neusA1
أنف
Mijn neus is verstopt.
de nichtA1
ابنة العم، ابنة الأخ
Mijn nicht woont in Rotterdam.
niemandA1
لا أحد
Er is niemand thuis.
de nierA1
كلية (عضو في الجسم)
Hij heeft problemen met zijn nieren.
nietA1
ليس، لا
Ik begrijp het niet.
nietsA1
لا شيء
Ik heb niets gezegd.
nieuwA1
جديد
Ik heb een nieuwe telefoon.

