المفردات
115 كلمة · صفحة 3 من 5
meenemenA2قابل للانفصالشاذّ
nam mee · namen mee · hebben meegenomen
يأخذ معه
Neem je paspoort mee.
يأخذ في الاعتبار
We nemen jouw voorstel mee in het besluit.
moetenA1شاذّ
moest · moesten · hebben gemoeten
يجب
Ik moet nu weg.
mogenA1شاذّ
mocht · mochten · hebben gemogen
يُسمح له
Mag ik hier zitten?
nadenkenA2قابل للانفصالشاذّ
dacht na · dachten na · hebben nagedacht
يفكر مليا
Ik moet er nog even over nadenken.
nakijkenA2قابل للانفصالشاذّ
keek na · keken na · hebben nagekeken
يصحّح
De docent moet vanavond nog veertig toetsen nakijken.
nemenA1شاذّ
nam · namen · hebben genomen
يأخذ
Ik neem de trein van acht uur.
onderzoekenA2شاذّ
onderzocht · onderzochten · hebben onderzocht
يحقق
Journalisten onderzoeken de zaak nog.
يفحص (مريضًا)
De huisarts onderzoekt haar knie.
ontbijtenA2شاذّ
ontbeet · ontbeten · hebben ontbeten
يتناول الفطور
Wij ontbijten om zeven uur.
onthoudenA2شاذّ
onthield · onthielden · hebben onthouden
يتذكر، يحفظ
Ik kan die naam nooit onthouden.
ontslaanA2شاذّ
ontsloeg · ontsloegen · hebben ontslagen
يفصل من العمل
Er worden dit jaar geen mensen ontslagen.
ontvangenA1شاذّ
ontving · ontvingen · hebben ontvangen
يستلم
Ik heb je bericht ontvangen.
opbergenA2قابل للانفصالشاذّ
borg op · borgen op · hebben opgeborgen
يخزّن
Berg je spullen op in de kast.
opschrijvenA2قابل للانفصالشاذّ
schreef op · schreven op · hebben opgeschreven
يدوّن
Kun je je telefoonnummer even voor mij opschrijven?
optredenA2قابل للانفصالشاذّ
trad op · traden op · hebben opgetreden
يقدّم عرضًا
De band treedt zaterdag op.
het optreden
عرض
Het optreden van de band duurde twee uur.
opvallenA2قابل للانفصالشاذّ
viel op · vielen op · zijn opgevallen
يلفت الانتباه
Het valt me op dat je beter spreekt.
opzeggenA2قابل للانفصالشاذّ
zei op · zeiden op · hebben opgezegd
يلغي، ينهي
Ik wil mijn contract opzeggen.
opzoekenA2قابل للانفصالشاذّ
zocht op · zochten op · hebben opgezocht
يبحث عن، يستعلم (في قاموس أو خريطة)
Zoek het woord even op.
يزور (شخصًا)
Ik ga dit weekend mijn oma opzoeken.
radenA1شاذّ
raadde · raadden · hebben geraden
يخمّن
Raad eens wie ik zag!
rijdenA2شاذّ
reed · reden · hebben/zijn gereden
يقود
Hij rijdt elke dag naar zijn werk.
roepenA1شاذّ
riep · riepen · hebben geroepen
ينادي
Roep me als je klaar bent.
ruikenA2شاذّ
rook · roken · hebben geroken
يشم
Het ruikt hier lekker.
scheidenA1شاذّ
scheidde · scheidden · zijn gescheiden
ينفصل، يطلّق
Mijn ouders zijn gescheiden.
schrijvenA1شاذّ
schreef · schreven · hebben geschreven
يكتب
Schrijf je naam op het formulier.
slapenA1شاذّ
sliep · sliepen · hebben geslapen
ينام
Ik heb slecht geslapen.
sluitenA1شاذّ
sloot · sloten · hebben gesloten
يغلق
De deur sluit automatisch.

