المفردات
796 كلمة · صفحة 29 من 32
de vlaA1
كاسترد
Als toetje eten we vla.
het vleesA1
لحم
Zij eet geen vlees.
de vloerA1
أرضية
De vloer is nog nat.
voelenA1
voelde · hebben gevoeld
يحسّ بـ
Ik voel de wind in mijn gezicht.
zich voelenانعكاسي
يشعر (بحال)
Ik voel me vandaag beter.
de voetA1
قدم
Mijn voet doet zeer.
het voetbalA1
كرة القدم
Op zaterdag kijkt mijn vader altijd voetbal op tv.
voetballenA1
voetbalde · hebben gevoetbald
يلعب كرة القدم
De kinderen voetballen na school op het plein.
volA1
ممتلئ
De bus is helemaal vol.
volgendA1
التالي
Volgende week begin ik met de cursus.
voorA1
لأجل؛ قبل
Dit cadeau is voor jou.
vooralA1
خصوصا
Ik oefen vooral spreken.
de voordeurA1
الباب الأمامي
De voordeur zit op slot.
voorkomenA1قابل للانفصالشاذّ
kwam voor · kwamen voor · zijn voorgekomen
يحدث، يوجد
Dat probleem komt hier vaak voor.
vorigA1
السابق
Vorig jaar woonde ik nog in Polen.
de vorkA1
شوكة
Er ligt geen vork op tafel.
de vraagA1
سؤال
Mag ik u een vraag stellen over het formulier?
vragenA1شاذّ
vroeg · vroegen · hebben gevraagd
يسأل
Mag ik iets vragen?
يطلب
Hij vraagt zijn buurman om hulp.
de vriendA1
صديق
Hij is een goede vriend van mij.
صديق حميم، شريك
Ze woont samen met haar vriend in Utrecht.
de vriendinA1
صديقة
Mijn vriendin komt uit Spanje.
de vriendschapA1
صداقة
Onze vriendschap duurt al twintig jaar.
vrijA1
شاغر، حر
Is deze stoel vrij?
de vrijdagA1
الجمعة
Vrijdag werk ik thuis.
vroegA1
مبكرا
Ik sta elke dag vroeg op.
de vrouwA1
امرأة
De vrouw leest een boek.
زوجة
Mijn vrouw werkt bij de gemeente.
waarA1
أين
Waar woon je?

