المفردات
1756 كلمة · صفحة 26 من 71
inrichtenA2قابل للانفصال
richtte in · hebben ingericht
يؤثث
We moeten de woonkamer nog inrichten.
het inschrijfgeldA2
رسوم التسجيل
Het inschrijfgeld betaal je één keer.
instappenA2قابل للانفصال
stapte in · zijn ingestapt
يصعد (المركبة)
U kunt achterin instappen.
interessantA2
مثير للاهتمام
Ik vond de les over de geschiedenis van Nederland interessant.
het interviewA2
مقابلة
Het interview duurde een half uur.
de invloedA2
تأثير
Sociale media hebben veel invloed op jongeren.
invullenA2قابل للانفصال
vulde in · hebben ingevuld
يملأ (استمارة)
Vul het formulier volledig in.
de isolatieA2
عزل
Betere isolatie verlaagt de energierekening.
jaA1
نعم
Ja, ik kom morgen graag naar je feest.
het jaarA1
سنة
Een jaar heeft twaalf maanden.
jaarlijksA1
سنويا
Er is jaarlijks een buurtfeest.
jaloersA2
غيور
Hij is een beetje jaloers op zijn broer.
de jamA1
مربى
Ik eet brood met jam.
jammerA2
يا للأسف
Wat jammer dat je niet naar het feest kunt komen.
januariA1
يناير
Mijn cursus begint in januari.
jarigA1
صاحب عيد الميلاد
Mijn zoon is vandaag jarig.
de jasA1
معطف
Doe je jas aan, het is koud.
jongA1
شاب
Zij is nog heel jong.
de jongenA1
ولد
Die jongen is mijn zoon.
de journalistA2
صحفي
De journalist sprak met meerdere getuigen.
juliA1
يوليو
In juli gaan we op vakantie.
juniA1
يونيو
In juni beginnen de examens.
de jurkA1
فستان
Ze kocht een nieuwe jurk voor het feest.
de kaarsA1
شمعة
Op tafel brandt een kaars.
de kaartA1
بطاقة؛ خريطة
Ik stuur haar een kaart voor haar verjaardag.

