Je EigenRoute
دخولإنشاء حساب

المفردات

115 كلمة · صفحة 2 من 5

  • genezenA2شاذّ

    genas · genazen · hebben/zijn genezen

    يشفى، يُشفي

    De wond is goed genezen.

  • genietenA1شاذّ

    genoot · genoten · hebben genoten

    يستمتع

    Ik geniet van het rustige weekend.

  • gevenA1شاذّ

    gaf · gaven · hebben gegeven

    يعطي

    Geef mij het zout, alsjeblieft.

  • hangenA2شاذّ

    hing · hingen · hebben gehangen

    يعلّق؛ يتدلّى

    Er hangt een grote klok aan de muur.

  • hebbenA1شاذّ

    had · hadden · hebben gehad

    يملك

    Wij hebben twee kinderen.


    (فعل مساعد لصيغة الماضي التام)

    Ik heb de brief gisteren al geschreven.

  • helpenA1شاذّ

    hielp · hielpen · hebben geholpen

    يساعد

    Kun je me even helpen?

  • hetenA1شاذّ

    heette · heetten · hebben geheten

    يُدعى

    Hoe heet jij?

  • hoevenA2شاذّ

    hoefde · hoefden · hebben gehoeven

    لا يلزم

    Je hoeft morgen niet naar school te komen.

  • houdenA1شاذّ

    hield · hielden · hebben gehouden

    يمسك؛ يحب

    Ik houd van koffie.

  • kiezenA1شاذّ

    koos · kozen · hebben gekozen

    يختار

    Je moet zelf kiezen.

  • kijkenA1شاذّ

    keek · keken · hebben gekeken

    ينظر، يشاهد

    We kijken vanavond naar een film.

  • komenA1شاذّ

    kwam · kwamen · zijn gekomen

    يأتي

    Kom je vanavond ook?

  • kopenA1شاذّ

    kocht · kochten · hebben gekocht

    يشتري

    Ik koop brood bij de bakker.

  • krijgenA1شاذّ

    kreeg · kregen · hebben gekregen

    يحصل على

    Ik heb een brief gekregen.

  • kunnenA1شاذّ

    kon · konden · hebben gekund

    يستطيع

    Kun je mij helpen?

  • lachenA1شاذّ

    lachte · lachten · hebben gelachen

    يضحك

    We hebben veel gelachen.

  • langskomenA2قابل للانفصالشاذّ

    kwam langs · kwamen langs · zijn langsgekomen

    يمر للزيارة

    Kom je vanavond even langs?

  • latenA1شاذّ

    liet · lieten · hebben gelaten

    يترك؛ يجعل

    Ik laat mijn fiets repareren.

  • lezenA1شاذّ

    las · lazen · hebben gelezen

    يقرأ

    Lees de tekst nog een keer.

  • liegenA2شاذّ

    loog · logen · hebben gelogen

    يكذب

    Hij zei dat hij ziek was, maar hij loog.

  • liggenA1شاذّ

    lag · lagen · hebben gelegen

    يقع، يستلقي

    Het boek ligt op tafel.

  • lijkenA1شاذّ

    leek · leken · hebben geleken

    يبدو

    Het lijkt me een goed idee.

  • lopenA1شاذّ

    liep · liepen · hebben/zijn gelopen

    يمشي

    Ik loop elke dag naar mijn werk.


    يمتد، يستمر (عن فترة)

    De cursus loopt van september tot juni.

  • meedoenA2قابل للانفصالشاذّ

    deed mee · deden mee · hebben meegedaan

    يشارك

    Doe je mee met de cursus?

  • meegaanA2قابل للانفصالشاذّ

    ging mee · gingen mee · zijn meegegaan

    يذهب مع

    Mag ik met jullie meegaan naar het strand?


    يدوم (للأشياء)

    Deze schoenen gaan al vijf jaar mee.