Je EigenRoute
دخولإنشاء حساب

المفردات

57 كلمة · صفحة 2 من 3

  • lezenA1شاذّ

    las · lazen · hebben gelezen

    يقرأ

    Lees de tekst nog een keer.

  • liggenA1شاذّ

    lag · lagen · hebben gelegen

    يقع، يستلقي

    Het boek ligt op tafel.

  • lijkenA1شاذّ

    leek · leken · hebben geleken

    يبدو

    Het lijkt me een goed idee.

  • lopenA1شاذّ

    liep · liepen · hebben/zijn gelopen

    يمشي

    Ik loop elke dag naar mijn werk.


    يمتد، يستمر (عن فترة)

    De cursus loopt van september tot juni.

  • moetenA1شاذّ

    moest · moesten · hebben gemoeten

    يجب

    Ik moet nu weg.

  • mogenA1شاذّ

    mocht · mochten · hebben gemogen

    يُسمح له

    Mag ik hier zitten?

  • nemenA1شاذّ

    nam · namen · hebben genomen

    يأخذ

    Ik neem de trein van acht uur.

  • ontvangenA1شاذّ

    ontving · ontvingen · hebben ontvangen

    يستلم

    Ik heb je bericht ontvangen.

  • radenA1شاذّ

    raadde · raadden · hebben geraden

    يخمّن

    Raad eens wie ik zag!

  • roepenA1شاذّ

    riep · riepen · hebben geroepen

    ينادي

    Roep me als je klaar bent.

  • scheidenA1شاذّ

    scheidde · scheidden · zijn gescheiden

    ينفصل، يطلّق

    Mijn ouders zijn gescheiden.

  • schrijvenA1شاذّ

    schreef · schreven · hebben geschreven

    يكتب

    Schrijf je naam op het formulier.

  • slapenA1شاذّ

    sliep · sliepen · hebben geslapen

    ينام

    Ik heb slecht geslapen.

  • sluitenA1شاذّ

    sloot · sloten · hebben gesloten

    يغلق

    De deur sluit automatisch.

  • sprekenA1شاذّ

    sprak · spraken · hebben gesproken

    يتكلم

    Spreekt u Nederlands?

  • springenA1شاذّ

    sprong · sprongen · hebben/zijn gesprongen

    يقفز

    Hij sprong over de sloot.

  • staanA1شاذّ

    stond · stonden · hebben gestaan

    يقف

    De auto staat voor het huis.


    مكتوب، وارد (في نص)

    In de e-mail staat dat de cursus in september begint.

  • vallenA1شاذّ

    viel · vielen · zijn gevallen

    يسقط

    Pas op, je valt bijna.


    يصادف (تاريخًا)

    Mijn verjaardag valt dit jaar op een zondag.

  • vergetenA1شاذّ

    vergat · vergaten · hebben vergeten

    ينسى

    Ik ben mijn telefoon vergeten.

  • verkopenA1شاذّ

    verkocht · verkochten · hebben verkocht

    يبيع

    Ze verkopen hier verse groente.

  • vindenA1شاذّ

    vond · vonden · hebben gevonden

    يجد؛ يرى

    Ik kan het niet vinden.

  • voorkomenA1قابل للانفصالشاذّ

    kwam voor · kwamen voor · zijn voorgekomen

    يحدث، يوجد

    Dat probleem komt hier vaak voor.

  • vragenA1شاذّ

    vroeg · vroegen · hebben gevraagd

    يسأل

    Mag ik iets vragen?


    يطلب

    Hij vraagt zijn buurman om hulp.

  • wetenA1شاذّ

    wist · wisten · hebben geweten

    يعرف

    Ik weet het niet.

  • willenA1شاذّ

    wilde · wilden · hebben gewild

    يريد

    Ik wil graag koffie.