Je EigenRoute
دخولإنشاء حساب

المفردات

444 كلمة · صفحة 18 من 18

  • wetenA1شاذّ

    wist · wisten · hebben geweten

    يعرف

    Ik weet het niet.

  • wijzenB1شاذّ

    wees · wezen · hebben gewezen

    يشير (بإصبعه)

    Zij wees naar het huis aan de overkant.

  • willenA1شاذّ

    wilde · wilden · hebben gewild

    يريد

    Ik wil graag koffie.

  • winnenA2شاذّ

    won · wonnen · hebben gewonnen

    يفوز

    Wie heeft gisteren de wedstrijd gewonnen?

  • wisselenA2

    wisselde · hebben gewisseld

    يصرف (نقودا)

    Kunt u dit briefje van vijftig wisselen?


    يتغيّر، يتناوب

    Het weer wisselt hier van uur tot uur.

  • wonenA1

    woonde · hebben gewoond

    يسكن

    Wij wonen in Utrecht.

  • wordenA1شاذّ

    werd · werden · zijn geworden

    يصبح

    Hij wil dokter worden.


    (فعل مساعد للمبني للمجهول)

    De brief wordt morgen verstuurd.

  • zakkenB1

    zakte · zijn gezakt

    يرسب

    Hij is helaas gezakt voor het examen.


    de zakken

    أكياس (جمع zak)

    Hij zet de zakken met oud papier bij de container.

  • zeggenA1شاذّ

    zei · zeiden · hebben gezegd

    يقول

    Wat zei je?

  • zettenA1

    zette · hebben gezet

    يضع (قائما)

    Zet de stoel bij het raam.

  • zich ziekmeldenA2قابل للانفصالانعكاسي

    meldde ziek · hebben ziekgemeld

    يبلغ عن مرضه

    Je moet je voor negen uur ziekmelden.

  • zienA1شاذّ

    zag · zagen · hebben gezien

    يرى

    Ik zie je morgen.

  • zijnA1شاذّ

    was · waren · zijn geweest

    يكون

    Ik ben blij dat je er bent.


    ـه (ضمير ملكية للمذكر)

    Peter pakt zijn jas en loopt naar buiten.

  • zingenA2شاذّ

    zong · zongen · hebben gezongen

    يغني

    Op verjaardagen zingen we een lied.

  • zittenA1شاذّ

    zat · zaten · hebben gezeten

    يجلس

    Zij zit op de bank.


    يوجد، موجود (داخل شيء)

    De sleutels zitten in de zak van mijn jas.

  • zoekenA1شاذّ

    zocht · zochten · hebben gezocht

    يبحث

    Ik zoek mijn sleutels.

  • zorgenA2

    zorgde · hebben gezorgd

    يحرص؛ يعتني

    Ik zorg dat het op tijd klaar is.

  • zullenA1شاذّ

    zou · zouden

    سوف

    Zullen we koffie drinken?

  • zwemmenB1شاذّ

    zwom · zwommen · hebben/zijn gezwommen

    يسبح

    Ik ga twee keer per week zwemmen.