المفردات
1756 كلمة · صفحة 17 من 71
fantastischA2
رائع جدًّا
We hebben een fantastische vakantie gehad.
favorietA2
مفضّل
Wat is jouw favoriete gerecht uit je eigen land?
februariA1
فبراير
In februari is het meestal koud.
het feestA1
حفلة
Zaterdag is er een feest.
het feitA1
حقيقة
Scheid feiten van meningen.
het festivalA2
مهرجان
Elke zomer is er een festival in het park.
de fietsA2
دراجة
In Nederland gaat bijna iedereen met de fiets.
fietsenA1
fietste · hebben/zijn gefietst
يركب الدراجة
Ik fiets elke dag naar school.
de fietsenstallingA2
موقف الدراجات
Zet je fiets in de fietsenstalling.
de fietserA2
راكب دراجة
Let goed op de fietser als je rechts afslaat.
de fietspompA2
منفاخ الدراجة
Heb je een fietspomp voor me?
de fietsrouteA2
مسار الدراجات
Deze fietsroute gaat door het bos.
het fietsslotA2
قفل الدراجة
Vergeet je fietsslot niet.
de fietsverhuurA2
تأجير الدراجات
Bij het station is een fietsverhuur.
fijnA2
مريح، لطيف
Fijn dat je er bent, kom maar binnen!
de filmA1
فيلم
We kijken vanavond een film.
financieelA2
مالي
Zij zijn financieel onafhankelijk.
de flesA1
زجاجة
Er staat een fles wijn op tafel.
het flesjeA2
زجاجة صغيرة
Neem een flesje water mee.
de fotoA1
صورة
Dit is een foto van mijn familie.
de foutA1
خطأ
Ik heb een fout gemaakt.
het fruitA2
فاكهة
Op mijn werk staat altijd fruit.
de functieA2
منصب
In welke functie werk je?
de functietitelA2
المسمى الوظيفي
Wat is je functietitel precies?
gaanA1شاذّ
ging · gingen · zijn gegaan
يذهب
Ik ga morgen naar Amsterdam.

