Je EigenRoute
دخولإنشاء حساب

المفردات

444 كلمة · صفحة 17 من 18

  • vindenA1شاذّ

    vond · vonden · hebben gevonden

    يجد؛ يرى

    Ik kan het niet vinden.

  • vliegenA2شاذّ

    vloog · vlogen · hebben/zijn gevlogen

    يطير

    We vliegen volgende week naar Marokko.

  • voelenA1

    voelde · hebben gevoeld

    يحسّ بـ

    Ik voel de wind in mijn gezicht.


    zich voelenانعكاسي

    يشعر (بحال)

    Ik voel me vandaag beter.

  • voerenB1

    voerde · hebben gevoerd

    يُجري (حديثًا)؛ يُطعم

    Gisteren voerden we een lang gesprek over de toekomst.


    يُطعم (الحيوانات)

    Mijn dochter voert elke ochtend de konijnen in de tuin.

  • voetballenA1

    voetbalde · hebben gevoetbald

    يلعب كرة القدم

    De kinderen voetballen na school op het plein.

  • volgenA2

    volgde · hebben/zijn gevolgd

    يتبع؛ يحضر (دورة)

    Ik volg een cursus Nederlands bij de bibliotheek.

  • voorbereidenA2قابل للانفصال

    bereidde voor · hebben voorbereid

    يُعِدّ (شيئاً)

    We bereiden de vergadering samen voor.


    zich voorbereidenانعكاسي

    يستعد

    Ik bereid me voor op het examen.

  • voorkomenA1قابل للانفصالشاذّ

    kwam voor · kwamen voor · zijn voorgekomen

    يحدث، يوجد

    Dat probleem komt hier vaak voor.

  • voorkómenA2شاذّ

    voorkwam · voorkwamen · hebben voorkomen

    يمنع، يتفادى

    Met een goede planning voorkom je veel stress.

  • voorlezenA2قابل للانفصالشاذّ

    las voor · lazen voor · hebben voorgelezen

    يقرأ بصوت عالٍ

    Wil je mij de brief van de school even voorlezen?

  • voorstellenB1قابل للانفصال

    stelde voor · hebben voorgesteld

    يقترح

    Mag ik een andere datum voorstellen?


    يقدّم (شخصاً)؛ يتخيّل (zich voorstellen)

    Mag ik me even voorstellen? Ik ben Sara.

  • vormenB1

    vormde · hebben gevormd

    يشكّل

    De kinderen vormen een kring rond de leraar.

  • vragenA1شاذّ

    vroeg · vroegen · hebben gevraagd

    يسأل

    Mag ik iets vragen?


    يطلب

    Hij vraagt zijn buurman om hulp.

  • vullenA2

    vulde · hebben gevuld

    يملأ

    Kun je de fles even met water vullen?

  • waaienA2

    waaide · hebben gewaaid

    تهب (الريح)

    Het waait vandaag zo hard dat ik niet ga fietsen.

  • waarschuwenB1

    waarschuwde · hebben gewaarschuwd

    يحذر

    Ik had je nog gewaarschuwd.

  • wachtenA2

    wachtte · hebben gewacht

    ينتظر

    Ik wacht al een half uur.

  • wandelenA1

    wandelde · hebben/zijn gewandeld

    يتمشى

    We gaan zondag wandelen.

  • wassenA2شاذّ

    waste · wasten · hebben gewassen

    يغسل

    Ik moet nog kleren wassen.

  • weggaanA2قابل للانفصالشاذّ

    ging weg · gingen weg · zijn weggegaan

    يغادر

    Wanneer ga je weg?

  • weggooienA2قابل للانفصال

    gooide weg · hebben weggegooid

    يرمي

    Gooi het oude papier weg.

  • weigerenB1

    weigerde · hebben geweigerd

    يرفض

    Hij weigerde het voorstel.

  • wennenA2

    wende · zijn gewend

    يعتاد

    Ik moet nog wennen aan het Nederlandse weer.

  • wensenA2

    wenste · hebben gewenst

    يتمنى

    Wij wensen u veel beterschap.

  • werkenA1

    werkte · hebben gewerkt

    يعمل

    Zij werkt in een ziekenhuis.


    يعمل (عن جهاز)

    De lift werkt vandaag niet.