المفردات
1768 كلمة · صفحة 17 من 71
de examenkostenB1
رسوم الامتحان
De examenkosten betaal je zelf.
de examenstofB1
مادة الامتحان
De examenstof staat in de studiegids.
de examenstressB1
توتر الامتحانات
Veel studenten hebben last van examenstress.
de examentrainingB1
تدريب على الامتحان
De examentraining duurt vier weken.
de examenuitslagB1
نتيجة الامتحان
De examenuitslag komt over vier weken.
de examenvoorbereidingB1
التحضير للامتحان
De examenvoorbereiding duurt twee maanden.
de examenvraagB1
سؤال الامتحان
Elke examenvraag heeft vier antwoorden.
de excursieB1
رحلة ميدانية
De school organiseert een excursie naar het museum.
het excuusB1
اعتذار؛ عذر
Hij bood zijn excuses aan voor het late antwoord.
de expertB1
خبير (مختص)
Een expert legt op tv uit wat er gebeurd is.
de factuurA2
فاتورة
De factuur moet binnen 14 dagen betaald worden.
de familieA1
عائلة
Mijn familie komt zondag eten.
het familiebezoekA1
زيارة عائلية
Zondag hebben we familiebezoek.
het familielidA1
فرد من العائلة
Er komt een familielid op bezoek.
de fanA2
معجب، مشجّع
Mijn zoon is een grote fan van deze voetballer.
februariA1
فبراير
In februari is het meestal koud.
het feestA1
حفلة
Zaterdag is er een feest.
de feestdagB1
يوم عطلة رسمية
Op feestdagen zijn de winkels dicht.
het feitA1
حقيقة
Scheid feiten van meningen.
het festivalA2
مهرجان
Elke zomer is er een festival in het park.
de fietsA2
دراجة
In Nederland gaat bijna iedereen met de fiets.
de fietsenstallingA2
موقف الدراجات
Zet je fiets in de fietsenstalling.
de fietserA2
راكب دراجة
Let goed op de fietser als je rechts afslaat.
het fietspadB1
ممر للدراجات
Fiets alsjeblieft op het fietspad.
de fietspompA2
منفاخ الدراجة
Heb je een fietspomp voor me?

