المفردات
4334 كلمة · صفحة 162 من 174
de wachtkamerA2
غرفة الانتظار
Neemt u plaats in de wachtkamer.
de wachtlijstB1
قائمة انتظار
Er is een lange wachtlijst voor die behandeling.
de wachttijdB1
مدة الانتظار
De wachttijd voor een sociale huurwoning is lang.
het wachtwoordA2
كلمة المرور
Ik ben mijn wachtwoord vergeten.
de wagenA2
عربة؛ سيارة
De boer laadt het hooi op de wagen.
wakkerA1
مستيقظ
Ik word elke ochtend om zes uur wakker.
de wandelclubB1
نادي المشي
Mijn moeder zit bij een wandelclub.
wandelenA1
wandelde · hebben/zijn gewandeld
يتمشى
We gaan zondag wandelen.
de wandelingB1
تمشية، نزهة سيراً
We maken elke zondag een wandeling.
de wandelrouteB1
مسار للمشي
Deze wandelroute is tien kilometer lang.
de wangA1
خد
Haar wangen zijn rood van de kou.
wanneerA1
متى
Wanneer begint de les?
wantA1
إذ، لأنّ
Ik blijf thuis, want ik ben ziek.
het wantrouwenB1
انعدام الثقة
Het wantrouwen tegenover de overheid groeit.
het wapenB1
سلاح
In Nederland mag je niet zomaar een wapen hebben.
wapenenB1
wapende · hebben gewapend
يتسلّح
Je kunt je wapenen tegen griep door gezond te leven.
warmA1
دافئ، ساخن
De soep is nog warm.
de warmteA2
دفء، حرارة
Ik kan slecht tegen de warmte in de zomer.
de wasA2
الغسيل (الملابس)
Ik doe elke zaterdag de was.
de wasdrogerA2
مجفف الملابس
In de winter gebruik ik de wasdroger.
het wasgoedA2
الغسيل
Het wasgoed hangt buiten te drogen.
de wasmachineA2
غسالة
De wasmachine is kapot.
de wasmandA1
سلة الغسيل
De vuile kleren liggen in de wasmand.
wassenA2شاذّ
waste · wasten · hebben gewassen
يغسل
Ik moet nog kleren wassen.
de wastafelA2
مغسلة
De kraan van de wastafel lekt.

