المفردات
1756 كلمة · صفحة 15 من 71
éénA1
واحد
Ik heb maar één broer en twee zussen.
eensA2
مرّةً؛ (أداة تلطيف)
Kom eens langs als je tijd hebt.
eenzaamA2
وحيد
In het begin voelde hij zich eenzaam.
eerderA2
أبكر؛ بالأحرى
Kun je morgen iets eerder komen?
eergisterenA1
أول أمس
Eergisteren was ik bij de dokter.
eerlijkA2
صادق؛ عادل
Wees eerlijk, vind je mijn nieuwe kapsel mooi?
eerstA1
أولا
Ik ga eerst douchen.
eersteA1
الأول
Dit is mijn eerste dag hier.
de eetgewoonteA2
عادة غذائية
Mijn eetgewoontes zijn hier veranderd.
de eetlustA2
شهية
Door de koorts heb ik geen eetlust.
de EHBOA2
الإسعافات الأولية
Zij volgde een cursus EHBO.
het eiA1
بيضة
Ik eet 's ochtends een ei.
eigenA2
خاص بـ (ملك)
Na mijn studie wil ik een eigen huis.
eigenlijkA1
في الواقع
Eigenlijk vind ik het geen goed idee.
het eilandA1
جزيرة
Het eiland is per veerboot bereikbaar.
het eindeA2
نهاية
Aan het einde van de straat is een bakker.
eindelijkA2
أخيرا
Eindelijk is de brief er.
de eindtoetsA2
الاختبار النهائي
De eindtoets is in juni.
eisenA2
eiste · hebben geëist
يطالب
De bond eist een hoger loon.
de eisen
متطلبات (جمع eis)
De school stelt hoge eisen aan het schrijven.
de elektriciteitA2
كهرباء
De elektriciteit is vanochtend uitgevallen.
elfA1
أحد عشر
De winkel sluit om elf uur.
elkA1
كل (elk)
Elk kind krijgt een klein cadeautje van de juf.
elkaarA1
بعضهم البعض
We helpen elkaar.
de elleboogA1
مرفق (الذراع)
Ik heb mijn elleboog gestoten.
de emmerA1
دلو
Vul de emmer met water.

