المفردات
796 كلمة · صفحة 13 من 32
de kansA1
فرصة
Dit is een mooie kans voor jou.
de kastA1
خزانة
Je jas hangt in de kast.
de keelA1
حلق
Ik heb pijn in mijn keel.
de keerA1
مرة
Ik ga twee keer per week sporten.
de kelderA1
قبو
De fietsen staan in de kelder.
kennenA1
kende · hebben gekend
يعرف (شخصا)
Ken je die man?
de kennisA1
معرفة
Hij heeft veel kennis van computers.
معرفة، شخص تعرفه
Een kennis van mij werkt bij die school.
de kerkA1
كنيسة
De kerk staat op het plein.
de keukenA1
مطبخ
De keuken is net schoongemaakt.
kiezenA1شاذّ
koos · kozen · hebben gekozen
يختار
Je moet zelf kiezen.
kijkenA1شاذّ
keek · keken · hebben gekeken
ينظر، يشاهد
We kijken vanavond naar een film.
de kiloA1
كيلو
Een kilo appels kost op de markt twee euro.
de kinA1
ذقن
Hij stootte zijn kin bij het vallen.
het kindA1
طفل
Het kind speelt in de tuin.
de kipA1
دجاج
Ik eet liever kip dan rundvlees.
klaarA1
جاهز
Het eten is klaar.
de klasA1
صفّ (مدرسي)
In mijn klas zitten studenten uit tien landen.
kleinA1
صغير
Mijn kamer is klein maar gezellig.
de kleindochterA1
حفيدة
Zijn kleindochter gaat al naar school.
het kleinkindA1
حفيد أو حفيدة
Zij heeft drie kleinkinderen.
de kleinzoonA1
حفيد
Haar kleinzoon is net geboren.
de klerenA1
ملابس
Ik koop nieuwe kleren.
de kleurA1
لون
Welke kleur vind je mooi?
de klokA1
ساعة حائط
De klok in de keuken loopt voor.
جرس
De klok van de kerk luidt elke zondagochtend.
de knieA1
ركبة
Mijn knie doet pijn bij het lopen.

