المفردات
430 كلمة · صفحة 13 من 18
de relatieA1
علاقة
Hun relatie is de laatste jaren verbeterd.
het resultaatA1
نتيجة
Het resultaat viel tegen.
de rijstA1
أرز
We eten vanavond rijst met groente.
de rokA1
تنورة
Ze draagt vandaag een lange blauwe rok.
de rommelA1
فوضى
Wat een rommel in deze kamer!
de roomA1
قشدة
Wil je room bij de koffie?
de rugA1
ظهر
Ik heb last van mijn rug.
de rugzakA1
حقيبة ظهر
Mijn boeken zitten in mijn rugzak.
de saladeA1
سلطة
Bij het vlees eten we salade.
het sapA1
عصير
Een glas sap, alstublieft.
de sausA1
صلصة
Wil je saus bij de patat?
de schaarA1
مقص
Heb je een schaar voor me?
de schoenA1
فردة حذاء
Deze schoen past niet, hij is te klein.
de schoolA1
مدرسة
Mijn kinderen gaan hier naar school.
de schoondochterA1
كنّة
Onze schoondochter komt uit Spanje.
de schoonmoederA1
حماة
Mijn schoonmoeder komt zondag eten.
de schoonvaderA1
حمو
Mijn schoonvader helpt vaak in de tuin.
de schoonzoonA1
صهر (زوج الابنة)
Haar schoonzoon werkt in de bouw.
de schoonzusA1
سلفة
Mijn schoonzus komt uit Italië.
de schoorsteenA1
مدخنة
Uit de schoorsteen komt rook.
de schouderA1
كتف
Mijn schouder doet pijn.
de schuurA1
سقيفة
De fietsen staan in de schuur.
de secondeA1
ثانية
Wacht één seconde.
het seizoenA1
فصل (من السنة)
De herfst is mijn favoriete seizoen.
septemberA1
سبتمبر
De school begint weer in september.

