المفردات
2767 كلمة · صفحة 108 من 111
de woordkeuzeB1
اختيار الكلمات
Let op je woordkeuze in een formele brief.
wordenA1شاذّ
werd · werden · zijn geworden
يصبح
Hij wil dokter worden.
(فعل مساعد للمبني للمجهول)
De brief wordt morgen verstuurd.
de workshopB1
ورشة عمل
Ik volg zaterdag een workshop over solliciteren.
de worstA1
نقانق
Bij de slager kocht ik worst.
de wortelA1
جزرة
Doe de wortels in de soep.
جذر
De wortel van deze boom komt door het tegelpad heen.
de yoghurtA1
لبن زبادي
Ik eet yoghurt bij het ontbijt.
de zaakB1
مسألة؛ متجر
Mijn oom heeft een eigen zaak in het centrum.
zachtA1
ناعم
Dit kussen is lekker zacht.
هادئ، خافت (عن الصوت)
Praat wat zachter, de kinderen slapen al.
de zakA1
جيب؛ كيس
Mijn sleutels zitten in mijn zak.
zakkenB1
zakte · zijn gezakt
يرسب
Hij is helaas gezakt voor het examen.
de zakken
أكياس (جمع zak)
Hij zet de zakken met oud papier bij de container.
de zalfA2
مرهم
Smeer deze zalf twee keer per dag op de wond.
de zaterdagA1
السبت
Op zaterdag doe ik boodschappen.
het zebrapadA2
ممر المشاة
Steek over bij het zebrapad.
de zeeA1
بحر
De zee is vandaag onrustig.
de zeepA1
صابون
Was je handen met zeep.
zeerB1
جدًا (رسمي)
De service in dit hotel was zeer goed.
zeggenA1شاذّ
zei · zeiden · hebben gezegd
يقول
Wat zei je?
zekerA1
متأكد
Weet je dat zeker?
zeldenA2
نادرا
Ik ga zelden naar de bioscoop.
zelfA1
بنفسه
Dat heb ik zelf gemaakt.
zelfsB1
حتى (للتأكيد)
Zelfs op zondag werkt hij in de winkel.
zelfstandigB1
معتمد على نفسه، مستقل
Je moet in deze functie zelfstandig kunnen werken.
de zelfstandigheidB1
الاستقلالية
De functie vraagt veel zelfstandigheid.
de zelfstudieB1
دراسة ذاتية
Naast de les doe ik veel zelfstudie.
zenuwachtigA2
عصبي، قلق
Ik ben zenuwachtig voor het examen.

