المفردات
8 كلمة · صفحة 1 من 1
zeggenA1شاذّ
zei · zeiden · hebben gezegd
يقول
Wat zei je?
zienA1شاذّ
zag · zagen · hebben gezien
يرى
Ik zie je morgen.
zijnA1شاذّ
was · waren · zijn geweest
يكون
Ik ben blij dat je er bent.
ـه (ضمير ملكية للمذكر)
Peter pakt zijn jas en loopt naar buiten.
zingenA2شاذّ
zong · zongen · hebben gezongen
يغني
Op verjaardagen zingen we een lied.
zittenA1شاذّ
zat · zaten · hebben gezeten
يجلس
Zij zit op de bank.
يوجد، موجود (داخل شيء)
De sleutels zitten in de zak van mijn jas.
zoekenA1شاذّ
zocht · zochten · hebben gezocht
يبحث
Ik zoek mijn sleutels.
zullenA1شاذّ
zou · zouden
سوف
Zullen we koffie drinken?
zwemmenB1شاذّ
zwom · zwommen · hebben/zijn gezwommen
يسبح
Ik ga twee keer per week zwemmen.

