المفردات
163 كلمة · صفحة 1 من 7
vaakA1
غالبا
Ik ga vaak met de fiets.
de vaderA1
أب
Mijn vader kookt heel goed.
de vakantieA2
عطلة
We gaan deze zomer op vakantie naar Spanje.
de vakantiedagenA2
أيام الإجازة
Ik heb nog tien vakantiedagen over.
de valA1
السقوط
Een val is bij ouderen de grootste risicofactor.
vallenA1شاذّ
viel · vielen · zijn gevallen
يسقط
Pas op, je valt bijna.
يصادف (تاريخًا)
Mijn verjaardag valt dit jaar op een zondag.
vanA1
من، لـ
Dit is de fiets van mijn broer.
vanafA2
ابتداءً من
Vanaf maandag werk ik vier dagen per week.
vanavondA1
هذا المساء
Vanavond blijf ik thuis.
vandaagA1
اليوم
Vandaag is het mooi weer.
vandaanA2
من أين
Waar kom jij eigenlijk vandaan, uit welk land?
vanmiddagA1
بعد ظهر اليوم
Vanmiddag heb ik een afspraak.
vanmorgenA1
هذا الصباح
Vanmorgen was het erg koud.
vannachtA1
الليلة
Vannacht heeft het in het hele land gesneeuwd.
het varkenA2
خنزير
Op deze boerderij lopen de varkens buiten.
veelA1
كثير
Er zijn veel mensen buiten.
de veerbootA2
عبّارة
De veerboot vertrekt elk half uur.
veertigA1
أربعون
Hier mag je veertig rijden.
vegetarischA2
نباتي
Hebben jullie ook vegetarische gerechten?
veiligA1
آمن
Werk altijd veilig met deze machine.
de veiligheidA2
الأمن والسلامة
De veiligheid in de wijk is verbeterd.
het veldA2
حقل، ملعب
Op het veld achter de school spelen kinderen voetbal.
de vensterbankA1
حافة النافذة
Op de vensterbank staan planten.
de ventilatieA2
التهوية
Goede ventilatie voorkomt schimmel.
verA1
بعيد
Is het nog ver?

