Je EigenRoute
دخولإنشاء حساب

المفردات

38 كلمة · صفحة 1 من 2

  • vallenA1شاذّ

    viel · vielen · zijn gevallen

    يسقط

    Pas op, je valt bijna.


    يصادف (تاريخًا)

    Mijn verjaardag valt dit jaar op een zondag.

  • veranderenA1

    veranderde · hebben/zijn veranderd

    يتغير

    Er is veel veranderd dit jaar.

  • verbazenA2

    verbaasde · hebben verbaasd

    يدهش

    Zijn reactie verbaasde iedereen.

  • verbeterenA2

    verbeterde · hebben/zijn verbeterd

    يحسّن

    Mijn Nederlands is dit jaar verbeterd.

  • verbiedenA2شاذّ

    verbood · verboden · hebben verboden

    يمنع

    Roken is in het gebouw verboden.

  • verdienenA1

    verdiende · hebben verdiend

    يكسب

    Hoeveel verdien je per uur?

  • vergelijkenA2شاذّ

    vergeleek · vergeleken · hebben vergeleken

    يقارن

    Vergelijk beide teksten met elkaar.

  • vergetenA1شاذّ

    vergat · vergaten · hebben vergeten

    ينسى

    Ik ben mijn telefoon vergeten.

  • verhuizenA2

    verhuisde · zijn verhuisd

    ينتقل

    We verhuizen volgende maand naar Rotterdam.

  • verkopenA1شاذّ

    verkocht · verkochten · hebben verkocht

    يبيع

    Ze verkopen hier verse groente.

  • verliezenA2شاذّ

    verloor · verloren · hebben/zijn verloren

    يخسر؛ يفقد

    Ons team heeft de wedstrijd met twee tegen één verloren.

  • vermijdenA2شاذّ

    vermeed · vermeden · hebben vermeden

    يتجنب

    Probeer de spits te vermijden.

  • verplaatsenA2

    verplaatste · hebben verplaatst

    ينقل، يؤجل

    Kunnen we de afspraak verplaatsen?

  • zich verslapenA2انعكاسيشاذّ

    versliep · versliepen · hebben verslapen

    يستغرق في النوم فيتأخر

    Ik heb me verslapen en kwam te laat.

  • verspreidenA2

    verspreidde · hebben verspreid

    يوزّع، ينشر

    Het bericht werd snel verspreid.

  • versturenA2

    verstuurde · hebben verstuurd

    يرسل

    Verstuur het formulier voor vrijdag.

  • vertalenA2

    vertaalde · hebben vertaald

    يترجم

    Kun je deze brief voor mij in het Engels vertalen?

  • vertellenA1

    vertelde · hebben verteld

    يحكي

    Vertel eens, hoe was je dag?

  • vertrekkenA2شاذّ

    vertrok · vertrokken · zijn vertrokken

    يغادر

    De trein vertrekt over vijf minuten.

  • vertrouwenA1

    vertrouwde · hebben vertrouwd

    يثق

    Ik vertrouw mijn buren, ze zijn altijd eerlijk.


    het vertrouwen

    ثقة

    Het kost tijd om vertrouwen op te bouwen.

  • zich vervelenA2انعكاسي

    verveelde · hebben verveeld

    يشعر بالملل

    De kinderen vervelen zich in de vakantie.

  • verwachtenA1

    verwachtte · hebben verwacht

    يتوقع

    We verwachten hem om zes uur.

  • verwijzenA2شاذّ

    verwees · verwezen · hebben verwezen

    يشير

    De auteur verwijst naar eerder onderzoek.

  • verzamelenA2

    verzamelde · hebben verzameld

    يجمع

    Hij verzamelt oude postzegels.

  • verzettenA2

    verzette · hebben verzet

    يؤجّل، يغيّر موعد

    Kunnen we de afspraak naar vrijdag verzetten?


    zich verzettenانعكاسي

    يعارض، يقاوم

    Veel bewoners verzetten zich tegen het plan.