المفردات
163 كلمة · صفحة 5 من 7
de vingerA1
إصبع
Ik heb mijn vinger gesneden.
het virusA2
فيروس
Het virus verspreidt zich via de lucht.
de visA1
سمك
Op vrijdag eten we vaak vis.
de vitamineA2
فيتامين
In de winter slik ik extra vitamine D.
de vlaA1
كاسترد
Als toetje eten we vla.
de vlagA2
علم (راية)
Op Koningsdag hangt overal de Nederlandse vlag.
het vleesA1
لحم
Zij eet geen vlees.
vliegenA2شاذّ
vloog · vlogen · hebben/zijn gevlogen
يطير
We vliegen volgende week naar Marokko.
het vliegtuigA2
طائرة
Het vliegtuig vertrekt om zeven uur.
de vloerA1
أرضية
De vloer is nog nat.
de vloerverwarmingA2
تدفئة أرضية
In de badkamer ligt vloerverwarming.
de vluchtA2
رحلة جوّية؛ فرار
Onze vlucht naar Istanbul heeft twee uur vertraging.
de vluchtelingA2
لاجئ
De gemeente vangt vluchtelingen op.
het voedingsmiddelA2
مادة غذائية
Sommige voedingsmiddelen bevatten veel zout.
de voedingswaardeA2
القيمة الغذائية
De voedingswaarde staat op de verpakking.
het voedselA2
غذاء
Er wordt veel voedsel weggegooid.
voelenA1
voelde · hebben gevoeld
يحسّ بـ
Ik voel de wind in mijn gezicht.
zich voelenانعكاسي
يشعر (بحال)
Ik voel me vandaag beter.
de voetA1
قدم
Mijn voet doet zeer.
het voetbalA1
كرة القدم
Op zaterdag kijkt mijn vader altijd voetbal op tv.
de voetbalclubA2
نادي كرة القدم
Mijn zoon is lid van de voetbalclub in ons dorp.
voetballenA1
voetbalde · hebben gevoetbald
يلعب كرة القدم
De kinderen voetballen na school op het plein.
volA1
ممتلئ
De bus is helemaal vol.
volgenA2
volgde · hebben/zijn gevolgd
يتبع؛ يحضر (دورة)
Ik volg een cursus Nederlands bij de bibliotheek.
volgendA1
التالي
Volgende week begin ik met de cursus.
volgensA2
وفقًا لـ
Volgens de dokter moet ik meer bewegen.

