المفردات
41 كلمة · صفحة 1 من 2
de taalA1
لغة
Nederlands is een moeilijke taal.
de taartA1
كعكة
Op mijn verjaardag maak ik een taart.
tachtigA1
ثمانون
Mijn oma is tachtig jaar.
de tafelA1
طاولة
Het eten staat op tafel.
de tandA1
سن
Er is een tand afgebroken.
de tandenborstelA1
فرشاة أسنان
Vergeet je tandenborstel niet.
de tanteA1
عمة
Mijn tante komt op bezoek.
de tasA1
حقيبة
Mijn tas staat naast de stoel.
teA1
أكثر من اللازم
Deze jas is te duur voor mij.
أداة قبل المصدر (te)
Ik probeer elke dag Nederlands te spreken.
de teenA1
إصبع القدم
Ik stootte mijn teen tegen de tafel.
tegenA1
ضد؛ إلى (في الكلام)
Zij zegt iets tegen haar buurvrouw in de lift.
de tekstA1
نص
Lees de tekst en beantwoord daarna de vragen.
de telefoonA1
هاتف
Mijn telefoon is leeg.
de televisieA1
تلفاز
De televisie staat de hele dag aan.
tellenA1
telde · hebben geteld
يعدّ
Kun je tot tien tellen in het Nederlands?
يُحتسب، له اعتبار
Deze oefening telt niet mee voor je eindcijfer.
terugA1
عائد، رجوع
Ik ben om zes uur terug.
de theeA1
شاي
Ik drink liever thee dan koffie.
het thuisA1
في المنزل
Vandaag werk ik thuis.
tienA1
عشرة
Ik heb nog tien minuten.
de tijdA1
وقت
Ik heb geen tijd vandaag.
tijdensA1
أثناء
Tijdens de les mag je niet bellen.
tochA1
مع ذلك
Het was koud, maar we gingen toch.
het toiletA1
مرحاض
Waar is het toilet?
de tomaatA1
طماطم
Doe een tomaat in de salade.
de tongA1
لسان
Steek uw tong uit, zegt de dokter.

