المفردات
11 كلمة · صفحة 1 من 1
tekenenA2
tekende · hebben getekend
يرسم
Mijn dochter tekent graag.
tellenA1
telde · hebben geteld
يعدّ
Kun je tot tien tellen in het Nederlands?
يُحتسب، له اعتبار
Deze oefening telt niet mee voor je eindcijfer.
terugbetalenA2قابل للانفصال
betaalde terug · hebben terugbetaald
يعيد المبلغ
Ik betaal je volgende week terug.
terugkomenA2قابل للانفصالشاذّ
kwam terug · kwamen terug · zijn teruggekomen
يعود
Hij komt volgende week terug.
testenA2
testte · hebben getest
يختبر
De dokter wil je bloed nog een keer testen.
thuisblijvenA2قابل للانفصالشاذّ
bleef thuis · bleven thuis · zijn thuisgebleven
يبقى في المنزل
Ik blijf vandaag thuis.
tillenA2
tilde · hebben getild
يحمل (شيئًا ثقيلًا)
Deze doos is te zwaar om alleen te tillen.
toestaanA2قابل للانفصالشاذّ
stond toe · stonden toe · hebben toegestaan
يسمح
Honden zijn hier niet toegestaan.
trakterenA2
trakteerde · hebben getrakteerd
يضيّف
Op je verjaardag trakteer je op gebak.
trouwenA1
trouwde · zijn getrouwd
يتزوج
Zij gaan in juni trouwen.
twijfelenA2
twijfelde · hebben getwijfeld
يشك
Ik twijfel nog over die opleiding.

