المفردات
229 كلمة · صفحة 7 من 10
het spreekuurA2
ساعات العيادة
Het spreekuur is van negen tot elf.
de spreekvaardigheidB1
مهارة التحدث
Mijn spreekvaardigheid is zwakker dan mijn leesvaardigheid.
sprekenA1شاذّ
sprak · spraken · hebben gesproken
يتكلم
Spreekt u Nederlands?
springenA1شاذّ
sprong · sprongen · hebben/zijn gesprongen
يقفز
Hij sprong over de sloot.
de spullenA1
أغراض
Neem je spullen mee.
staanA1شاذّ
stond · stonden · hebben gestaan
يقف
De auto staat voor het huis.
مكتوب، وارد (في نص)
In de e-mail staat dat de cursus in september begint.
de staatB1
دولة؛ حالة
De staat betaalt een groot deel van het onderwijs.
de stadA1
مدينة
Amsterdam is een grote stad.
het stadionA2
ملعب
Het stadion zat helemaal vol met supporters.
de stageB1
تدريب عملي
Hij loopt stage bij een groot bedrijf.
stage lopenB1
يقوم بتدريب عملي
Na de zomer ga ik stage lopen in een ziekenhuis.
de stagiairB1
متدرب
De nieuwe stagiair werkt drie dagen per week bij ons.
de stagiaireB1
متدربة
Onze stagiaire studeert verpleegkunde aan het mbo.
standaardB1
قياسي
Deze telefoon heeft standaard een hoesje erbij.
de stapA2
خطوة
Een cursus volgen is een goede eerste stap naar werk.
stappenA2
stapte · hebben/zijn gestapt
يخطو
Hij stapte snel in de auto en reed weg.
de startB1
بداية، انطلاق
De start van de wandeltocht is om tien uur bij het station.
startenA2
startte · hebben/zijn gestart
يشغّل؛ يبدأ
Mijn auto wil vanochtend door de kou niet starten.
het statiegeldA2
تأمين العبوة
Op flessen zit statiegeld.
het stationA2
محطة
Het station is vlak bij mijn huis.
steedsA2
باستمرار، أكثر فأكثر
Het wordt steeds drukker op de weg.
de steenA2
حجر؛ طوب
Er ligt een grote steen midden op het fietspad.
stekenB1شاذّ
stak · staken · hebben gestoken
يلدغ؛ يُدخل
Pas op, die bijen kunnen steken.
stelenA2شاذّ
stal · stalen · hebben gestolen
يسرق
Iemand heeft gisteren mijn fiets gestolen.
stellenB1
stelde · hebben gesteld
يطرح (سؤالًا)؛ يضع
Mag ik u een paar vragen stellen?

