المفردات
64 كلمة · صفحة 2 من 3
de slaapA1
نوم
Ik heb te weinig slaap gehad.
de slaapkamerA1
غرفة نوم
Wij hebben twee slaapkamers.
het slachtofferA1
الضحية
Het slachtoffer is aanspreekbaar.
slapenA1شاذّ
sliep · sliepen · hebben geslapen
ينام
Ik heb slecht geslapen.
slechtA1
سيء
Het weer is vandaag slecht.
het sleutelbosA1
حزمة مفاتيح
Mijn sleutelbos ligt op de kast.
sluitenA1شاذّ
sloot · sloten · hebben gesloten
يغلق
De deur sluit automatisch.
snelA1
سريع
Hij loopt heel snel.
het snoepA1
سكاكر، حلويات
Kinderen eten te veel snoep.
sociaalA1
اجتماعي
Hij is heel sociaal en maakt snel contact.
de soepA1
حساء
De soep is nog te heet.
de sokA1
جورب
Ik kan mijn sokken niet vinden.
sommigeA1
بعض
Sommige winkels zijn zondag open.
somsA1
أحيانا
Soms neem ik de bus.
soortA1
نوع
Deze soort staat op de rode lijst.
sorryA1
آسف
Sorry, ik ben te laat.
spelenA1
speelde · hebben gespeeld
يلعب
De kinderen spelen in de tuin.
تدور أحداثه (عن قصة)
Het verhaal speelt in Amsterdam, vlak na de oorlog.
de spiegelA1
مرآة
Er hangt een spiegel in de gang.
de spierA1
عضلة
Na het sporten doen mijn spieren pijn.
de spinazieA1
سبانخ
Spinazie zit vol ijzer.
de sportA1
رياضة
Welke sport doe jij?
sprekenA1شاذّ
sprak · spraken · hebben gesproken
يتكلم
Spreekt u Nederlands?
springenA1شاذّ
sprong · sprongen · hebben/zijn gesprongen
يقفز
Hij sprong over de sloot.
de spullenA1
أغراض
Neem je spullen mee.
staanA1شاذّ
stond · stonden · hebben gestaan
يقف
De auto staat voor het huis.
مكتوب، وارد (في نص)
In de e-mail staat dat de cursus in september begint.

