المفردات
21 كلمة · صفحة 1 من 1
radenA1شاذّ
raadde · raadden · hebben geraden
يخمّن
Raad eens wie ik zag!
rakenB1
raakte · hebben/zijn geraakt
يصيب؛ يصبح
Hij is bij het ongeluk gewond geraakt.
reagerenA1
reageerde · hebben gereageerd
يستجيب
Hij heeft nog niet op mijn mail gereageerd.
zich realiserenA2انعكاسي
realiseerde · hebben gerealiseerd
يدرك
Ik realiseerde me pas later wat er gebeurd was.
reddenB1
redde · hebben gered
ينقذ؛ يتدبّر
De brandweer heeft de kat uit de boom gered.
regelenA2
regelde · hebben geregeld
يرتب، ينظم
Ik regel het morgen wel.
registrerenB1
registreerde · hebben geregistreerd
يسجّل (رسميًا)
Je moet je bij de gemeente laten registreren.
reizenA1
reisde · hebben/zijn gereisd
يسافر
Ik reis elke dag met de trein.
rekenenA2
rekende · hebben gerekend
يحسب
Ik moet even rekenen hoeveel het kost.
remmenB1
remde · hebben geremd
يكبح
Bij regen moet je eerder remmen.
de remmen
فرامل (جمع rem)
De remmen van mijn fiets doen het niet meer.
rennenA1
rende · hebben/zijn gerend
يركض
De kinderen rennen door de tuin.
reparerenA2
repareerde · hebben gerepareerd
يصلح
Kun jij mijn fiets morgen voor me repareren?
reserverenB1
reserveerde · hebben gereserveerd
يحجز
Je moet vooraf een plaats reserveren.
retournerenA2
retourneerde · hebben geretourneerd
يرجع البضاعة
Je kunt het binnen 14 dagen retourneren.
zich richtenA1انعكاسي
richtte · hebben gericht
يستهدف، يركّز على
De cursus richt zich op beginners.
rijdenA2شاذّ
reed · reden · hebben/zijn gereden
يقود
Hij rijdt elke dag naar zijn werk.
roepenA1شاذّ
riep · riepen · hebben geroepen
ينادي
Roep me als je klaar bent.
roerenA2
roerde · hebben geroerd
يقلّب
Blijf roeren tot de saus dik wordt.
rokenB1
rookte · hebben gerookt
يدخن
Roken is hier niet toegestaan.
ruikenA2شاذّ
rook · roken · hebben geroken
يشم
Het ruikt hier lekker.
ruilenA2
ruilde · hebben geruild
يستبدل
Kan ik deze jas ruilen?

