المفردات
116 كلمة · صفحة 4 من 5
zich richtenA1انعكاسي
richtte · hebben gericht
يستهدف، يركّز على
De cursus richt zich op beginners.
de richtingA2
اتجاه
Je moet de andere richting op.
de rijA2
طابور
Er staat een lange rij bij de kassa.
het rijbewijsB1
رخصة قيادة
Zonder rijbewijs mag je niet rijden.
de rijbewijsverlengingB1
تجديد رخصة القيادة
De rijbewijsverlenging regel je bij de gemeente.
rijdenA2شاذّ
reed · reden · hebben/zijn gereden
يقود
Hij rijdt elke dag naar zijn werk.
het rijexamenB1
امتحان القيادة
Ik ben geslaagd voor mijn rijexamen.
het rijgedragB1
سلوك القيادة
Zijn rijgedrag is de laatste tijd rustiger.
rijkA1
غني
Zij komt uit een rijke familie.
de rijlesB1
درس قيادة
Ik neem sinds maart rijles.
de rijstA1
أرز
We eten vanavond rijst met groente.
de rijstrookB1
مسار المرور
De rechter rijstrook is afgesloten.
de rijvaardigheidB1
مهارة القيادة
Bij het examen wordt je rijvaardigheid getest.
de ringA2
خاتم
Hij kocht een gouden ring voor zijn vriendin.
het risicoB1
مخاطرة
Wie te hard rijdt, neemt een groot risico.
de rivierA2
نهر
De rivier loopt door de stad.
roepenA1شاذّ
riep · riepen · hebben geroepen
ينادي
Roep me als je klaar bent.
roerenA2
roerde · hebben geroerd
يقلّب
Blijf roeren tot de saus dik wordt.
de rokA1
تنورة
Ze draagt vandaag een lange blauwe rok.
rokenB1
rookte · hebben gerookt
يدخن
Roken is hier niet toegestaan.
de rolB1
دور
Ouders spelen een grote rol in het leven van kinderen.
de rommelA1
فوضى
Wat een rommel in deze kamer!
rondA1
دائري
De tafel is rond.
حوالي، حول
De vergadering begint rond twee uur.
de rondeB1
جولة
Na de eerste ronde stond ons team voor.
rondomB1
حول (من كل الجهات)
Rondom het huis staan hoge bomen.

