المفردات
40 كلمة · صفحة 1 من 2
het paarA1
زوج، بضعة
Ik blijf nog een paar dagen.
paarsA1
بنفسجي
De bloemen in de tuin zijn paars.
het pakjeA1
طرد
Er ligt een pakje voor je bij de buren.
pakkenA1
pakte · hebben gepakt
يمسك، يأخذ
Pak even een glas voor me.
de papaA1
بابا
Papa brengt ons morgen met de auto naar school.
het papierA1
ورق
Schrijf het op een blaadje papier.
de paprikaA1
فلفل حلو
Snijd de paprika in reepjes.
de parapluA1
مظلة
Neem een paraplu mee, het gaat regenen.
pardonA1
عفوا
Pardon, mag ik er even langs?
het parkA1
حديقة عامة
We wandelen graag in het park.
de partnerA1
شريك الحياة
Mijn partner werkt in het onderwijs.
de pastaA1
معكرونة
Vanavond maak ik pasta.
de patatA1
بطاطس مقلية
Op vrijdag eten we patat.
de peerA1
كمثرى
Deze peer is heel zoet.
de penA1
قلم
Heb je een pen voor me?
de peperA1
فلفل
Doe er wat peper op.
de pijnA1
ألم
Heb je veel pijn?
de pindakaasA1
زبدة الفول السوداني
Pindakaas is populair in Nederland.
de pizzaA1
بيتزا
Vanavond bestellen we pizza.
de plaatsA1
مكان
Is deze plaats vrij?
het plafondA1
سقف
Het plafond is net geverfd.
het planA1
خطة
Wat is het plan voor morgen?
de plantA1
نبتة
Vergeet de planten niet water te geven.
het pleinA1
ساحة
Op het plein is elke week markt.
poetsenA1
poetste · hebben gepoetst
ينظف بالفرشاة
Poets je tanden twee keer per dag.

