المفردات
125 كلمة · صفحة 1 من 5
de maagA1
معدة
Ik heb last van mijn maag.
maalB1
ضرب (×)
Drie maal vier is twaalf, dat weet elk kind.
de maaltijdA2
وجبة
Dit is de belangrijkste maaltijd van de dag.
de maanA2
قمر
Vannacht is de maan helemaal rond.
de maandA1
شهر
Volgende maand ga ik op vakantie.
de maandagA1
الاثنين
Op maandag begin ik om negen uur.
het maandbedragA2
المبلغ الشهري
Het maandbedrag is 45 euro.
maandelijksA1
شهريا
De huur betaal je maandelijks.
de maandlastenB1
الأعباء الشهرية
Mijn maandlasten zijn dit jaar gestegen.
maarA1
لكن
Ik wil komen, maar ik heb geen tijd.
maartA1
مارس
De cursus start in maart.
de maatA2
مقاس
Heeft u dit in een grotere maat?
de maatregelB1
تدبير
De regering neemt nieuwe maatregelen tegen de hoge prijzen.
maatschappelijkA2
مجتمعي
Dit is een maatschappelijk probleem, geen individueel probleem.
de maatschappijB1
مجتمع؛ شركة
Werk helpt mensen om mee te doen in de maatschappij.
de machineA2
آلة
Hij werkt met een grote machine in de fabriek.
de machtB1
سُلطة (نفوذ)
In een democratie ligt de macht bij het volk.
de magnetronA2
ميكروويف
Warm het even op in de magnetron.
mailenA2
mailde · hebben gemaild
يرسل بريدا إلكترونيا
Ik mail je de documenten vanavond.
makenA1
maakte · hebben gemaakt
يصنع
Zij maakt een taart voor het feest.
makkelijkA1
سهل
Deze oefening is makkelijk.
de mamaA1
ماما
Mama, mag ik vanmiddag bij mijn vriendin spelen?
de manA1
رجل
Die man werkt in de winkel.
زوج
Haar man haalt de kinderen van school.
de managerB1
مدير، مسؤول إداري
De manager van de supermarkt zoekt nieuwe medewerkers.
de manierA1
طريقة
Dat is een handige manier om te oefenen.

