Je EigenRoute
دخولإنشاء حساب

المفردات

عوامل التصفية2

9 كلمة · صفحة 1 من 1

  • lachenA1شاذّ

    lachte · lachten · hebben gelachen

    يضحك

    We hebben veel gelachen.

  • latenA1شاذّ

    liet · lieten · hebben gelaten

    يترك؛ يجعل

    Ik laat mijn fiets repareren.

  • leggenA1

    legde · hebben gelegd

    يضع (مسطحا)

    Leg het boek op tafel.

  • lerenA1

    leerde · hebben geleerd

    يتعلم؛ يعلّم

    Ik leer nu een jaar Nederlands.

  • levenA1

    leefde · hebben geleefd

    يعيش

    Mijn opa leeft nog en is al negentig jaar.


    het leven

    حياة

    Het leven hier is heel anders.

  • lezenA1شاذّ

    las · lazen · hebben gelezen

    يقرأ

    Lees de tekst nog een keer.

  • liggenA1شاذّ

    lag · lagen · hebben gelegen

    يقع، يستلقي

    Het boek ligt op tafel.

  • lijkenA1شاذّ

    leek · leken · hebben geleken

    يبدو

    Het lijkt me een goed idee.

  • lopenA1شاذّ

    liep · liepen · hebben/zijn gelopen

    يمشي

    Ik loop elke dag naar mijn werk.


    يمتد، يستمر (عن فترة)

    De cursus loopt van september tot juni.