المفردات
99 كلمة · صفحة 1 من 4
gaanA1شاذّ
ging · gingen · zijn gegaan
يذهب
Ik ga morgen naar Amsterdam.
gamenA2
gamede · hebben gegamed
يلعب ألعاب الفيديو
Mijn broer gamet elke avond tot laat.
de gangA1
ممر
Zet je schoenen in de gang.
de garageA1
مرآب
De fiets staat in de garage.
de garantieA2
ضمان
Er zit twee jaar garantie op.
de gastA2
ضيف
Op ons feest waren meer dan vijftig gasten.
het gatA2
ثقب
Er zit een gat in mijn sok.
gauwA1
قريبا
Tot gauw!
het gebakA1
معجنات
Bij de koffie was er gebak.
gebeurenA1
gebeurde · zijn gebeurd
يحدث
Wat is er gebeurd?
geborenA1
مولود
Ik ben in 1990 in Syrië geboren.
het gebouwA2
مبنى
Het gemeentehuis is een groot wit gebouw.
het gebruikA1
استخدام
Het gebruik van de app is gratis.
gebruikelijkA2
معتاد
Het is hier gebruikelijk om af te spreken.
gebruikenA1
gebruikte · hebben gebruikt
يستخدم
Mag ik je telefoon even gebruiken?
het gedichtA2
قصيدة
Dit gedicht staat in elk schoolboek.
geduldigA2
صبور
De docent is heel geduldig.
geelA1
أصفر
De bloemen in de tuin zijn geel.
geenA1
لا، ليس هناك
Ik heb geen tijd.
het geheimA2
سرّ
Kun jij een geheim voor je zus bewaren?
geïrriteerdA2
منزعج
Hij raakte geïrriteerd door het wachten.
gekA2
مجنون، غريب
Wat een gek idee, dat werkt toch niet!
het geldA1
مال
Ik heb geen geld bij me.
de geldautomaatA2
صراف آلي
Er staat een geldautomaat bij de supermarkt.
het geldbedragA2
مبلغ مالي
Vul het geldbedrag in cijfers in.

