المفردات
12 كلمة · صفحة 1 من 1
gaanA1شاذّ
ging · gingen · zijn gegaan
يذهب
Ik ga morgen naar Amsterdam.
gamenA2
gamede · hebben gegamed
يلعب ألعاب الفيديو
Mijn broer gamet elke avond tot laat.
gebeurenA1
gebeurde · zijn gebeurd
يحدث
Wat is er gebeurd?
gebruikenA1
gebruikte · hebben gebruikt
يستخدم
Mag ik je telefoon even gebruiken?
geldenA2شاذّ
gold · golden · hebben gegolden
يسري، ينطبق
Deze regel geldt voor iedereen.
gelovenA1
geloofde · hebben geloofd
يصدّق
Ik geloof je wel.
genezenA2شاذّ
genas · genazen · hebben/zijn genezen
يشفى، يُشفي
De wond is goed genezen.
genietenA1شاذّ
genoot · genoten · hebben genoten
يستمتع
Ik geniet van het rustige weekend.
gevenA1شاذّ
gaf · gaven · hebben gegeven
يعطي
Geef mij het zout, alsjeblieft.
gooienA2
gooide · hebben gegooid
يقذف، يرمي
Gooi het papier in de blauwe container.
groeienA2
groeide · zijn gegroeid
ينمو
De tomaten groeien goed in de warme kas.
groetenA2
groette · hebben gegroet
يُحيّي
Groet je buren als je ze tegenkomt.

