المفردات
92 كلمة · صفحة 1 من 4
de gangA1
ممر
Zet je schoenen in de gang.
de garageA1
مرآب
De fiets staat in de garage.
de garantieA2
ضمان
Er zit twee jaar garantie op.
de gastA2
ضيف
Op ons feest waren meer dan vijftig gasten.
de gastheerB1
مضيف
Hij was een uitstekende gastheer.
het gatA2
ثقب
Er zit een gat in mijn sok.
het gebakA1
معجنات
Bij de koffie was er gebak.
de gebeurtenisB1
حدث
De krant schrijft over de belangrijkste gebeurtenissen van het jaar.
het gebiedB1
منطقة
In dit gebied mag je geen huizen bouwen.
het gebouwA2
مبنى
Het gemeentehuis is een groot wit gebouw.
het gebruikA1
استخدام
Het gebruik van de app is gratis.
de gebruikerB1
مستخدم
Elke gebruiker krijgt een eigen wachtwoord.
de gedachteB1
فكرة، خاطر
Ik kan die gedachte niet uit mijn hoofd krijgen.
het gedeelteB1
قسم، جزء
Een groot gedeelte van de stad heeft geen stroom.
het gedichtA2
قصيدة
Dit gedicht staat in elk schoolboek.
het gedragB1
سلوك
De leraar praat met de ouders over het gedrag van hun zoon.
het geheimA2
سرّ
Kun jij een geheim voor je zus bewaren?
het geldA1
مال
Ik heb geen geld bij me.
de geldautomaatA2
صراف آلي
Er staat een geldautomaat bij de supermarkt.
het geldbedragA2
مبلغ مالي
Vul het geldbedrag in cijfers in.
de geldleningB1
قرض مالي
Voor een geldlening moet je je inkomen aantonen.
de geldtransactieB1
معاملة مالية
Elke geldtransactie staat op je afschrift.
het geldverkeerB1
حركة الأموال
Het geldverkeer verloopt tegenwoordig bijna digitaal.
de geldzorgenA2
هموم مالية
Veel gezinnen hebben geldzorgen.
de gelijkheidA2
مساواة
Gelijkheid is een belangrijke waarde.

