المفردات
76 كلمة · صفحة 1 من 4
het e-mailberichtB1
رسالة إلكترونية
Ik stuurde een e-mailbericht naar de gemeente.
echtA1
حقيقي، حقا
Is dat echt waar?
de echtgenootA1
زوج
Haar echtgenoot werkt in het buitenland.
de economieA2
اقتصاد
De economie groeide licht dit kwartaal.
economischA2
اقتصادي
De economische situatie is onzeker.
eenmaalB1
مرّة؛ (nu eenmaal) هكذا الأمر
Het is nu eenmaal zo, daar kunnen we niets aan doen.
eensA2
مرّةً؛ (أداة تلطيف)
Kom eens langs als je tijd hebt.
eenvoudigB1
بسيط
De uitleg was eenvoudig en duidelijk.
eenzaamA2
وحيد
In het begin voelde hij zich eenzaam.
eerderA2
أبكر؛ بالأحرى
Kun je morgen iets eerder komen?
eergisterenA1
أول أمس
Eergisteren was ik bij de dokter.
eerlijkA2
صادق؛ عادل
Wees eerlijk, vind je mijn nieuwe kapsel mooi?
eerstA1
أولا
Ik ga eerst douchen.
eersteA1
الأول
Dit is mijn eerste dag hier.
de eerstelijnszorgB1
الرعاية الأولية
De huisarts hoort bij de eerstelijnszorg.
de eetgewoonteA2
عادة غذائية
Mijn eetgewoontes zijn hier veranderd.
de eetlustA2
شهية
Door de koorts heb ik geen eetlust.
de eeuwB1
قرن
Dit kasteel is gebouwd in de zestiende eeuw.
het effectB1
مفعول
Het medicijn had snel effect op mijn hoofdpijn.
de EHBOA2
الإسعافات الأولية
Zij volgde een cursus EHBO.
het eiA1
بيضة
Ik eet 's ochtends een ei.
eigenA2
خاص بـ (ملك)
Na mijn studie wil ik een eigen huis.
de eigenaarB1
مالك
De eigenaar van het huis wil de huur verhogen.
eigenlijkA1
في الواقع
Eigenlijk vind ik het geen goed idee.
het eilandA1
جزيرة
Het eiland is per veerboot bereikbaar.

