المفردات
7 كلمة · صفحة 1 من 1
delenA1
deelde · hebben gedeeld
يقاسم، يقسّم
We delen de kosten samen.
denkenA1شاذّ
dacht · dachten · hebben gedacht
يفكر
Ik denk dat het goed komt.
doenA1شاذّ
deed · deden · hebben gedaan
يفعل
Wat doe je in het weekend?
dragenA1شاذّ
droeg · droegen · hebben gedragen
يرتدي؛ يحمل
Hij draagt een zwarte jas.
drinkenA1شاذّ
dronk · dronken · hebben gedronken
يشرب
Wat wil je drinken?
dromenA1
droomde · hebben gedroomd
يحلم
Ik droomde vannacht over mijn familie.
durvenA1
durfde · hebben gedurfd
يجرؤ
Ik durf het niet te vragen.

