المفردات
21 كلمة · صفحة 1 من 1
de dagA1
يوم
Elke dag ga ik naar mijn werk.
مرحبًا؛ إلى اللقاء
Dag mevrouw, kan ik u helpen?
het dagelijksA1
يوميا
Ik oefen dagelijks een half uur.
de datumA1
تاريخ (اليوم)
Wat is de datum van vandaag?
decemberA1
ديسمبر
In december zijn er veel feestdagen.
het deelA1
جزء
Het eerste deel van de cursus is klaar.
het dekbedA1
لحاف
In de winter gebruik ik een dik dekbed.
de deurA1
باب
Doe je de deur even dicht?
het dierA1
حيوان
In het park zie je veel dieren.
het dingA1
شيء
Wat is dat voor een ding?
de dinsdagA1
الثلاثاء
Dinsdag heb ik een afspraak.
de dochterA1
ابنة
Onze dochter is vijf jaar oud.
het doekA1
قطعة قماش
Veeg de tafel af met een doek.
het doelA1
هدف
Wat is het doel van deze cursus?
de dokterA1
طبيب
Ik ga morgen naar de dokter.
de donderdagA1
الخميس
De les is elke donderdag.
de doosA1
صندوق
De boeken zitten in een doos.
het dorpA1
قرية
Zij komt uit een klein dorp.
de dorstA1
عطش
Heb je dorst?
de doucheA1
دش
Ik neem 's ochtends een douche.
de drempelA1
عتبة
Pas op voor de drempel bij de deur.
de druifA1
عنب
Deze druiven zijn erg zoet.

