المفردات
59 كلمة · صفحة 1 من 3
de babyA1
طفل صغير
De baby slaapt nu.
de badkamerA1
حمام
De badkamer is boven.
de balA1
كرة
De kinderen spelen met een bal in de tuin.
de banaanA1
موزة
Wil je een banaan?
de batterijA1
بطارية
De batterij is leeg.
het bedA1
سرير
Ik ga vroeg naar bed.
bedankenA1
bedankte · hebben bedankt
يشكر
Ik wil je bedanken voor je hulp.
bedoelenA1
bedoelde · hebben bedoeld
يقصد
Wat bedoel je precies?
het bedrijfA1
شركة
Zij werkt bij een groot bedrijf.
het beenA1
ساق
Hij heeft zijn been gebroken.
het beetjeA1
قليلًا
Ik spreek al een beetje Nederlands en Engels.
het beginA1
بداية (البدء)
Aan het begin van de les zeggen we iets over het weekend.
beginnenA1شاذّ
begon · begonnen · zijn begonnen
يبدأ
De les begint om negen uur.
begrijpenA1شاذّ
begreep · begrepen · hebben begrepen
يفهم
Ik begrijp de vraag niet helemaal.
de belA1
جرس الباب
De bel doet het niet.
belangrijkA1
مهم
Dit is een belangrijke brief.
bellenA1
belde · hebben gebeld
يتّصل (هاتفيًا)
Ik bel je vanavond na het eten.
bepalenA1
bepaalde · hebben bepaald
يحدد
Jij mag bepalen waar we eten.
bereikenA1
bereikte · hebben bereikt
يصل إلى
Je kunt mij het beste per mail bereiken.
het berichtA1
رسالة
Ik stuur je straks een bericht.
bestaanA1شاذّ
bestond · bestonden · hebben bestaan
يوجد
Zo'n regel bestaat hier niet.
betalenA1
betaalde · hebben betaald
يدفع
Kan ik met pin betalen?
betekenenA1
betekende · hebben betekend
يعني
Wat betekent dit woord?
beterA1
أفضل
Ik voel me vandaag al beter.
de bezemA1
مكنسة
Pak even de bezem.

