المفردات
10 كلمة · صفحة 1 من 1
aanbiedenA2قابل للانفصالشاذّ
bood aan · boden aan · hebben aangeboden
يعرض (المساعدة)
Zij bood aan om te helpen.
zich aankledenA2قابل للانفصالانعكاسي
kleedde aan · hebben aangekleed
يرتدي ملابسه
Ik kleed me snel aan en ga naar mijn werk.
aankomenA2قابل للانفصالشاذّ
kwam aan · kwamen aan · zijn aangekomen
يصل
Wij komen om acht uur aan.
يزيد وزنه
Sinds de winter is hij vijf kilo aangekomen.
aanpassenA2قابل للانفصال
paste aan · hebben aangepast
يعدّل
We passen het rooster aan de vakantie aan.
zich aanpassenانعكاسي
يتكيّف
Je moet je aanpassen aan de nieuwe regels.
aanrakenA2قابل للانفصال
raakte aan · hebben aangeraakt
يلمس
Raak de hete pan niet aan.
afrekenenA2قابل للانفصال
rekende af · hebben afgerekend
يدفع الحساب
Ik ga even afrekenen.
afwassenA2قابل للانفصالشاذّ
waste af · wasten af · hebben afgewassen
يغسل الأطباق
Wie wast er vanavond af?
afzeggenA2قابل للانفصالشاذّ
zei af · zeiden af · hebben afgezegd
يلغي (موعدًا)
Ik moet de afspraak bij de tandarts afzeggen.
antwoordenA2
antwoordde · hebben geantwoord
يجيب
Hij antwoordde niet op mijn vraag.
appenA2
appte · hebben geappt
يراسل (عبر تطبيق)
Ik app je zodra ik op het station ben.

