Словарь
5046 слов · страница 93 из 202
leidinggevendeB1
руководитель
Bespreek dat met je leidinggevende.
leidingwerkB2
трубопроводы
Het leidingwerk zit weggewerkt in de muur.
lekkerA2
вкусный, приятный
Deze soep is heel lekker.
lelijkA1
уродливый
Dat gebouw vind ik lelijk.
lenenA2
одалживать
Kan ik tien euro van je lenen?
leningB1
кредит, заём
Hij sloot een lening af voor de auto.
lenteA1
весна
In de lente bloeien de tulpen.
lepelA1
ложка
Ik eet soep met een lepel.
leraarA2
учитель
De leraar legt het nog een keer uit.
lerenA2
учить(ся)
Ik leer nu een jaar Nederlands.
lesmateriaalA2
учебные материалы
Het lesmateriaal krijg je bij de eerste les.
lesmethodeB1
методика преподавания
Deze lesmethode werkt goed voor volwassenen.
lesroosterA2
расписание занятий
Het lesrooster hangt bij de ingang.
lesuitvalB1
отмена занятий
Door ziekte was er veel lesuitval.
lesuurA2
учебный час
Een lesuur duurt vijftig minuten.
lesvoorbereidingB1
подготовка к уроку
De lesvoorbereiding kost de docent veel tijd.
letselB2
телесное повреждение
Er was gelukkig geen blijvend letsel.
letterA1
буква
Schrijf je naam met grote letters.
lettergreepB2
слог
Dit woord heeft vier lettergrepen.
letterlijkB2
буквально
Neem dat niet te letterlijk.
lettertypeB2
шрифт
Kies een goed leesbaar lettertype.
leukA1
приятный, весёлый
Dat was een leuke avond.
levenA1
жизнь; жить
Het leven hier is heel anders.
levensbeschouwingB2
мировоззрение
Op school is er les over levensbeschouwing.
levensduurverlengingB2
продление срока службы
Repareren is de simpelste levensduurverlenging.

