Словарь
5046 слов · страница 65 из 202
halfA1
половина
Het is half acht.
halloA1
привет
Hallo, hoe gaat het?
halteA2
остановка
De halte is om de hoek.
hamA1
ветчина
Ik neem een boterham met ham.
hamerB2
молоток
Sla de spijker met de hamer erin.
handA1
рука (кисть)
Was je handen voor het eten.
handdoekA1
полотенце
De handdoek hangt in de badkamer.
handelsbalansB2
торговый баланс
Nederland heeft een positieve handelsbalans.
handelsgeestB2
торговая жилка
De Nederlandse handelsgeest is spreekwoordelijk.
handelsoverschotB2
положительное сальдо торговли
Nederland heeft een groot handelsoverschot.
handelsregisterB2
торговый реестр
Elk bedrijf staat in het handelsregister.
handgebaarB2
жест рукой
Datzelfde handgebaar betekent elders iets anders.
handhavingB2
обеспечение соблюдения правил
Zonder handhaving blijft de regel een papieren tijger.
handhygiëneB2
гигиена рук
Goede handhygiëne voorkomt de meeste besmettingen.
handicapB2
инвалидность
Met een handicap heb je recht op aanpassingen.
handigA1
удобный, практичный
Dat is een handige app.
handleidingB2
руководство
De handleiding staat online in zes talen.
hardA1
твёрдый; громкий
Het bed is te hard.
hardlopenB1
бегать, бег
's Ochtends ga ik hardlopen in het park.
haringB2
сельдь
Verse haring eet je met ui.
harkB2
грабли
Hark de bladeren bij elkaar.
hartA1
сердце
Mijn hart klopt snel.
hartelijkheidB2
сердечность
De hartelijkheid van de buren viel op.
hartfilmpjeB2
электрокардиограмма
Er werd meteen een hartfilmpje gemaakt.
hartslagA1
пульс, сердцебиение
Mijn hartslag gaat snel na het sporten.

