Je EigenRoute
ВхідРеєстрація

Словник

7809 слів · сторінка 88 з 313

  • de gelijkmoedigheidB2

    незворушність

    Zij droeg het verlies met gelijkmoedigheid.

  • gelijknamigB2

    однойменний

    De film is gebaseerd op het gelijknamige boek.

  • het gelijkspelB2

    нічия

    De wedstrijd eindigde in een gelijkspel: 1-1.

  • de gelijkwaardigheidB2

    рівноправність

    Gelijkwaardigheid tussen partners is vanzelfsprekend.

  • het geloofB2

    віра

    In Nederland mag iedereen zijn eigen geloof hebben.

  • de geloofsovertuigingB2

    релігійне переконання

    Niemand mag om zijn geloofsovertuiging worden benadeeld.

  • geloofwaardigB2

    правдоподібний

    Zijn verhaal klinkt niet geloofwaardig.

  • de geloofwaardigheidB2

    достовірність

    De geloofwaardigheid van de bron staat ter discussie.

  • gelovenA1

    geloofde · hebben geloofd

    вірити

    Ik geloof je wel.

  • gelovigB1

    віруючий

    Mijn ouders zijn gelovig en gaan elke week naar de moskee.

  • het geluidA2

    звук, шум

    Ik hoor een vreemd geluid uit de keuken komen.

  • de geluidshinderB2

    шумове забруднення

    Rond het vliegveld is veel geluidshinder.

  • de geluidskwaliteitB2

    якість звуку

    De geluidskwaliteit van de podcast is prima.

  • de geluidsopnameB2

    аудіозапис

    De geluidsopname is als bewijs gebruikt.

  • de geluidsoverlastA2

    шумові перешкоди

    We hebben veel geluidsoverlast van de buren.

  • de geluidstechnicusB2

    звукорежисер

    De geluidstechnicus stelde de microfoons af.

  • het gelukA1

    удача, щастя

    Veel geluk met je nieuwe baan!

  • gelukkigA1

    щасливий; на щастя

    Ze is gelukkig in haar nieuwe baan.

  • de gelukzaligheidB2

    блаженство

    Een moment van pure gelukzaligheid.

  • het gemaalB2

    насосна станція

    Het gemaal pompt het water weg.

  • het gemakB1

    зручність, легкість

    Voor het gemak bestellen we pizza vanavond.

  • gemakkelijkA2

    легкий (нескладний)

    De eerste opdracht van het examen was gemakkelijk.

  • gematigdB2

    помірний

    Nederland heeft een gematigd zeeklimaat.

  • gemeenB1

    підлий, злий; спільний

    Het is gemeen om andere kinderen uit te lachen.

  • de gemeenschapA2

    спільнота, громада

    De hele gemeenschap hielp mee na de brand.