Je EigenRoute
ВхідРеєстрація

Словник

175 слів · сторінка 5 з 7

  • opzeggenA2відокремлюванийнеправильне

    zei op · zeiden op · hebben opgezegd

    розривати, скасовувати

    Ik wil mijn contract opzeggen.

  • opzoekenA2відокремлюванийнеправильне

    zocht op · zochten op · hebben opgezocht

    подивитися, знайти (у словнику, на мапі)

    Zoek het woord even op.


    відвідати, зайти до (когось)

    Ik ga dit weekend mijn oma opzoeken.

  • overlijdenB1неправильне

    overleed · overleden · zijn overleden

    померти

    Zijn vader is vorig jaar in het ziekenhuis overleden.

  • overnemenB1відокремлюванийнеправильне

    nam over · namen over · hebben overgenomen

    переймати, брати на себе

    Kun jij mijn dienst morgen overnemen?

  • overstekenB1відокремлюванийнеправильне

    stak over · staken over · zijn overgestoken

    переходити (дорогу)

    Steek hier voorzichtig over.

  • plaatsvindenB1відокремлюванийнеправильне

    vond plaats · vonden plaats · hebben plaatsgevonden

    відбуватися (захід)

    De bijeenkomst vindt plaats in het buurthuis.

  • radenA1неправильне

    raadde · raadden · hebben geraden

    вгадувати

    Raad eens wie ik zag!

  • rijdenA2неправильне

    reed · reden · hebben/zijn gereden

    їхати, керувати

    Hij rijdt elke dag naar zijn werk.

  • roepenA1неправильне

    riep · riepen · hebben geroepen

    кликати, гукати

    Roep me als je klaar bent.

  • ruikenA2неправильне

    rook · roken · hebben geroken

    пахнути, нюхати

    Het ruikt hier lekker.

  • scheidenA1неправильне

    scheidde · scheidden · zijn gescheiden

    розлучатися

    Mijn ouders zijn gescheiden.

  • schrijvenA1неправильне

    schreef · schreven · hebben geschreven

    писати

    Schrijf je naam op het formulier.

  • slaanB1неправильне

    sloeg · sloegen · hebben geslagen

    бити, вдаряти

    Je mag een kind nooit slaan.

  • slapenA1неправильне

    sliep · sliepen · hebben geslapen

    спати

    Ik heb slecht geslapen.

  • sluitenA1неправильне

    sloot · sloten · hebben gesloten

    закривати

    De deur sluit automatisch.

  • snijdenA2неправильне

    sneed · sneden · hebben gesneden

    різати

    Snijd de groente in kleine stukjes.

  • sprekenA1неправильне

    sprak · spraken · hebben gesproken

    говорити

    Spreekt u Nederlands?

  • springenA1неправильне

    sprong · sprongen · hebben/zijn gesprongen

    стрибати

    Hij sprong over de sloot.

  • staanA1неправильне

    stond · stonden · hebben gestaan

    стояти

    De auto staat voor het huis.


    бути написаним, зазначатися

    In de e-mail staat dat de cursus in september begint.

  • stekenB1неправильне

    stak · staken · hebben gestoken

    жалити; встромляти

    Pas op, die bijen kunnen steken.

  • stelenA2неправильне

    stal · stalen · hebben gestolen

    красти

    Iemand heeft gisteren mijn fiets gestolen.

  • stervenB1неправильне

    stierf · stierven · zijn gestorven

    помирати

    Veel bomen sterven door de droge zomers.

  • stijgenB1неправильне

    steeg · stegen · zijn gestegen

    підніматися, зростати

    De prijzen van boodschappen stijgen elk jaar.

  • terugkomenA2відокремлюванийнеправильне

    kwam terug · kwamen terug · zijn teruggekomen

    повертатися

    Hij komt volgende week terug.

  • thuisblijvenA2відокремлюванийнеправильне

    bleef thuis · bleven thuis · zijn thuisgebleven

    залишатися вдома

    Ik blijf vandaag thuis.