Je EigenRoute
ВхідРеєстрація

Словник

110 слів · сторінка 4 з 5

  • sluitenA1неправильне

    sloot · sloten · hebben gesloten

    закривати

    De deur sluit automatisch.

  • spelenA1

    speelde · hebben gespeeld

    гратися

    De kinderen spelen in de tuin.


    відбуватися, розгортатися (про дію)

    Het verhaal speelt in Amsterdam, vlak na de oorlog.

  • sprekenA1неправильне

    sprak · spraken · hebben gesproken

    говорити

    Spreekt u Nederlands?

  • springenA1неправильне

    sprong · sprongen · hebben/zijn gesprongen

    стрибати

    Hij sprong over de sloot.

  • staanA1неправильне

    stond · stonden · hebben gestaan

    стояти

    De auto staat voor het huis.


    бути написаним, зазначатися

    In de e-mail staat dat de cursus in september begint.

  • stoppenA1

    stopte · hebben/zijn gestopt

    припиняти, зупиняти

    Hij is gestopt met roken.

  • sturenA1

    stuurde · hebben gestuurd

    посилати, надсилати

    Ik stuur je vanavond een bericht.

  • tellenA1

    telde · hebben geteld

    рахувати

    Kun je tot tien tellen in het Nederlands?


    зараховуватися, мати значення

    Deze oefening telt niet mee voor je eindcijfer.

  • trouwenA1

    trouwde · zijn getrouwd

    одружуватися, виходити заміж

    Zij gaan in juni trouwen.

  • vallenA1неправильне

    viel · vielen · zijn gevallen

    падати

    Pas op, je valt bijna.


    припадати (на дату)

    Mijn verjaardag valt dit jaar op een zondag.

  • veranderenA1

    veranderde · hebben/zijn veranderd

    змінювати(ся)

    Er is veel veranderd dit jaar.

  • verdienenA1

    verdiende · hebben verdiend

    заробляти

    Hoeveel verdien je per uur?

  • vergetenA1неправильне

    vergat · vergaten · hebben vergeten

    забувати

    Ik ben mijn telefoon vergeten.

  • verkopenA1неправильне

    verkocht · verkochten · hebben verkocht

    продавати

    Ze verkopen hier verse groente.

  • vertellenA1

    vertelde · hebben verteld

    розповідати

    Vertel eens, hoe was je dag?

  • vertrouwenA1

    vertrouwde · hebben vertrouwd

    довіряти

    Ik vertrouw mijn buren, ze zijn altijd eerlijk.


    het vertrouwen

    довіра

    Het kost tijd om vertrouwen op te bouwen.

  • verwachtenA1

    verwachtte · hebben verwacht

    очікувати

    We verwachten hem om zes uur.

  • vindenA1неправильне

    vond · vonden · hebben gevonden

    знаходити; вважати

    Ik kan het niet vinden.

  • voelenA1

    voelde · hebben gevoeld

    відчувати (щось)

    Ik voel de wind in mijn gezicht.


    zich voelenзворотний

    почуватися

    Ik voel me vandaag beter.

  • voetballenA1

    voetbalde · hebben gevoetbald

    грати у футбол

    De kinderen voetballen na school op het plein.

  • voorkomenA1відокремлюванийнеправильне

    kwam voor · kwamen voor · zijn voorgekomen

    траплятися, зустрічатися

    Dat probleem komt hier vaak voor.

  • vragenA1неправильне

    vroeg · vroegen · hebben gevraagd

    запитувати

    Mag ik iets vragen?


    просити

    Hij vraagt zijn buurman om hulp.

  • wandelenA1

    wandelde · hebben/zijn gewandeld

    гуляти

    We gaan zondag wandelen.

  • werkenA1

    werkte · hebben gewerkt

    працювати

    Zij werkt in een ziekenhuis.


    працювати, функціонувати (про пристрій)

    De lift werkt vandaag niet.

  • wetenA1неправильне

    wist · wisten · hebben geweten

    знати

    Ik weet het niet.