Словник
119 слів · сторінка 4 з 5
tegenA1
проти; (казати) комусь
Zij zegt iets tegen haar buurvrouw in de lift.
tegenoverA2
навпроти
De bakker zit tegenover de kerk.
tienA1
десять
Ik heb nog tien minuten.
tijdensA1
під час
Tijdens de les mag je niet bellen.
toenA2
коли (у минулому); тоді
Toen ik klein was, woonde ik in een dorp.
totA1
до
De winkel is open tot zes uur.
tussenA1
між
De winkel zit tussen de bank en het café.
twaalfA1
дванадцять
We eten om twaalf uur.
tweeA1
два
Ik heb twee kinderen.
tweedeA1
другий
Neem de tweede straat rechts.
twintigA1
двадцять
Het kost twintig euro.
uitA1
з, із (звідки)
Ik kom uit Oekraïne.
vanA1
від, чийсь
Dit is de fiets van mijn broer.
vanafA2
з, починаючи з
Vanaf maandag werk ik vier dagen per week.
veelA1
багато
Er zijn veel mensen buiten.
veertigA1
сорок
Hier mag je veertig rijden.
viaA2
через (когось, щось)
Ik heb het nieuws via een vriendin gehoord.
vierA1
чотири
Wij wonen op nummer vier.
vierdeA1
четвертий
Dit is mijn vierde les.
vijfA1
п'ять
Het kost vijf euro.
vijfdeA1
п'ятий
Neem de vijfde straat links.
vijftigA1
п'ятдесят
Ik betaal met een briefje van vijftig.
volgensA2
на думку, згідно з
Volgens de dokter moet ik meer bewegen.
voorA1
для; перед
Dit cadeau is voor jou.
waarA1
де
Waar woon je?

