Словник
634 слів · сторінка 17 з 26
retournerenA2
retourneerde · hebben geretourneerd
повертати (товар)
Je kunt het binnen 14 dagen retourneren.
zich richtenA1зворотний
richtte · hebben gericht
орієнтуватися на, бути розрахованим на
De cursus richt zich op beginners.
rijdenA2неправильне
reed · reden · hebben/zijn gereden
їхати, керувати
Hij rijdt elke dag naar zijn werk.
roepenA1неправильне
riep · riepen · hebben geroepen
кликати, гукати
Roep me als je klaar bent.
roerenA2
roerde · hebben geroerd
помішувати
Blijf roeren tot de saus dik wordt.
rokenB1
rookte · hebben gerookt
курити
Roken is hier niet toegestaan.
roosterenB2
roosterde · hebben geroosterd
підсмажувати
Rooster de noten even in de pan.
ruikenA2неправильне
rook · roken · hebben geroken
пахнути, нюхати
Het ruikt hier lekker.
ruilenA2
ruilde · hebben geruild
обміняти
Kan ik deze jas ruilen?
samenlevenB1відокремлюваний
leefde samen · hebben samengeleefd
співіснувати, жити разом
Samenleven met verschillende culturen vraagt inzet.
samenvattenB2відокремлюваний
vatte samen · hebben samengevat
стисло викладати
Kun je het kort samenvatten?
samenwerkenB1відокремлюваний
werkte samen · hebben samengewerkt
співпрацювати
We moeten beter samenwerken.
samenwonenB2відокремлюваний
woonde samen · hebben samengewoond
жити разом
Zij gaan volgend jaar samenwonen.
schaatsenB2
schaatste · hebben/zijn geschaatst
катання на ковзанах
Bij vorst gaat iedereen schaatsen.
zich schamenB1зворотний
schaamde · hebben geschaamd
соромитися
Hij schaamde zich voor zijn fout.
schattenB1
schatte · hebben geschat
оцінювати (приблизно)
Ik schat dat de reparatie tweehonderd euro kost.
scheidenA1неправильне
scheidde · scheidden · zijn gescheiden
розлучатися
Mijn ouders zijn gescheiden.
schoonmakenA2відокремлюваний
maakte schoon · hebben schoongemaakt
прибирати
Op zaterdag maak ik het huis schoon.
schrijvenA1неправильне
schreef · schreven · hebben geschreven
писати
Schrijf je naam op het formulier.
scorenA2
scoorde · hebben gescoord
забивати (гол)
Hij scoorde in de laatste minuut het winnende doelpunt.
slaanB1неправильне
sloeg · sloegen · hebben geslagen
бити, вдаряти
Je mag een kind nooit slaan.
slagenB1
slaagde · zijn geslaagd
скласти (іспит)
Zij is voor het examen geslaagd.
вдатися, вийти
De operatie is helemaal geslaagd.
slapenA1неправильне
sliep · sliepen · hebben geslapen
спати
Ik heb slecht geslapen.
slikkenB2
slikte · hebben geslikt
ковтати
Zij slikte even voordat ze antwoordde.
sluitenA1неправильне
sloot · sloten · hebben gesloten
закривати
De deur sluit automatisch.

